Bureau van Politie

Politiemensen waren, ook in oorlogstijd, ‘dienaren van het gezag’,  zoals de titel van een boek over de Amsterdamse politie in oorlogstijd toepasselijk luidt. En daarom heeft het Leidse korps naast haar normale werkzaamheden enkele bijzondere taken voor de bezetter uitgevoerd.  Een flink deel van het korps was daar op bepaalde momenten bij betrokken, uit gezagsgetrouwheid, met met oogkleppen op, met berusting of uit opportunisme. Een klein deel was lid van de NSB of het Rechtsfront, een nationaalsocialistische mantelorganisatie en enkele van de Germaanse SS.

Aan het begin van de Bezetting was R.J. Meijer commissaris van politie. In deze periode begon de opsporing en vervolging van de eerste politieke verdachten: studenten, communisten en radicaalsocialisten.

Onder de nationaalsocialistische korpschef U.K.L.E. (Ulrich) Hoffmann, die van 1 mei 1942 tot en met 21 juni 1944 de leiding had (als korpskommandant), vond de heftigste vervolging plaats van de “vijanden” van de bezetter en de collaborateurs. Onder zijn opvolger, J.M Diekmann nam de druk wat af, mede door de vanaf september 1944 aanzienlijk gewijzigde algemene situatie.

Maar de eerste opdrachten kreeg het korps al in juli 1940: het toesturen van persoonsgegevens van leden van de CPN, RSAP en andere (door de bezetter gehate) linkse organisaties. Ook vonden er huiszoekingen plaats en werden er zaken in beslag genomen. Die persoonsgegevens had de politie al lang; voor de oorlog werden die mensen namelijk al jaren in opdracht van de Nederlandse overheid in de gaten gehouden. Rondom de inval van Nazi-Duitsland in de Sovjet-Unie in juni 1941 werd, in het kader van een landelijke operatie, een aantal linkse personen uit Leiden opgepakt en afgevoerd naar een kamp in Schoorl. In heel 1941 werden ook arrestaties verricht van actieve linkse personen in verband met illegale lectuur en activiteiten zoals het kalken van leuzen. Daarnaast werden in 1940 en 1941 de studenten in de gaten gehouden in verband met hun anti-Duitse activiteiten.

Eind 1942 werd een speciale politieafdeling opgericht, de Documentatiedienst, waaraan steeds twee rechercheurs waren verbonden. De Documentatiedienst was een politiek politie, belast met de opsporing en vervolging van personen op politieke grondslag. De betreffende rechercheurs waren medewerker van de Sipo/SD. De opsporing en vervolging van linkse personen bleef doorgaan, maar vanaf begin 1943 kwam daar een bijzondere taak bij: de deportatie van de Joodse inwoners. Aan de hand van lijsten werd bijgehouden wie er nog was, wie al was afgevoerd en wie er was ondergedoken. In maart 1943 werden de meeste Leidse Joden, voor zover niet ondergedoken, opgepakt en afgevoerd. Op 17 maart werden uiteindelijk de laatste Leidse Joden opgehaald en werd het joods weeshuis aan de Roodenburgerstraat leeggehaald. Deze actie(s) stond(en) onder leiding van nationaalsocialistische korpsleden, maar andere agenten en rechercheurs werden er wel bij betrokken. Daarna bleven de rechercheurs van de Documentatiedienst Adriaan Biesheuvel en Willem de Groot heel actief als “jodenjagers” totdat De Groot op 17 januari 1944 werd doodgeschoten, toen zij samen in Rijnsburg een ondergedoken joods meisje uit Leiden kwamen ophalen. Daarnaast werden er regelmatig Joden binnengebracht, die door niet-Leidse politiemannen waren opgepakt. In juli 1943 bijvoorbeeld brachten enkele tientallen Joodse onderduikers, die in Sassenheim en Hillegom waren opgepakt, de nacht op het bureau door.

De opsporing en vervolging van andere onderduikers (hoofdzakelijk voor de arbeidsinzet) was een taak van het “gewone” korps, dat de opdrachten vrij laks afhandelde. Vier agenten die in juni 1943 weigerden artsen op te halen werden gearresteerd en naar Duitsland gestuurd. Pas in 1944 werd het zoeken van onderduikers wat actiever uitgevoerd, maar zelden met veel ijver, men bleef passief traineren. Regelmatig werden mensen vooraf ingeseind, dat er een bezoek te verwachten viel.

Voor zover bekend heeft alleen inspecteur D. van der Wal geweigerd mee te doen aan de ontruiming van het joods weeshuis. Hij werd kort daarop ontslagen. In mei 1944 werden drie korpsleden (M. Sepers, J. Rozemeijer en G.-J. Poortman) gearresteerd in verband met een grootschalige razzia, vooral in de wijk De Kooi, gericht op linkse illegalen. Zij zijn alle drie in een concentratiekamp omgekomen. Van verschillende korpsleden is bekend, dat zij betrokken waren bij illegale organisaties.

Uit angst voor gewapende overvallen of aanslagen werd het bureau in 1944 voorzien van een toegangshek. ’s Avonds en ’s nachts waren er niet alleen arrestanten in de cellen, maar er waren ook mensen, die wegens spertijd niet meer op straat konden komen. Voor hen waren enkele lokalen ingericht als nachtverblijf.
Na de oorlog werden dertien van de bijna 150 politiemensen (incl. ondersteunend personeel) ontslagen. Enkele andere collaborateurs waren al eerder vertrokken.
Op de stoep staan twee koffers van het monument Bagage van Ram Katzir, vervaardigd van zwart graniet. Aan de overkant van de straat staat een koffer van groen graniet.
Op 25 februari 1947 werd een plaquette onthuld voor zes agenten, die tijdens de oorlog zijn omgekomen. De plaquette is meeverhuisd naar het nieuwe politiebureau aan de Langegracht. Hierop komen de volgende namen voor:

NaamOverledenAdres
J. HuismanLeiden, 1 december 1944Staalwijkstraat 39
C.J.E. PoortmanHamburg, 27 september 1944Van der Duynstraat 26
J.P. RozemeijerBuchenwald, 6 juli 1944Alexanderstraat 23
M. SepersMauthausen, 25 maart 1945Zijlsingel 18
J.C. VenteBad Sassendorf, 22 maart 1945Wasstraat 34
K. MulderStompwijk, 18 april 1945Kapteijnstraat 33

Verder kwamen nog twee agenten om die niet op deze plaquette zijn vermeld: Willem de Groot en Jan de Boer.

 

Go to Locatie

Locatie

900+ locaties

Go to verhaal

verhaal

950+ verhalen

Go to Tijdlijn

Tijdlijn

400+ datums

Go to trefwoord

trefwoord

375+ trefwoorden