Schouwburg

De Leidse schouwburg werd in de oorlogsjaren goed bezocht ondanks de vaak wat middelmatige theaterproducties. De behoefte aan amusement en vertier was nu eenmaal erg groot. Het repertoire was vrijwel uitsluitend van Nederlandse bodem.

Naar verluidt vonden er in de schouwburg ook regelmatig opvoeringen plaats van Duitse revues voor een Duits publiek, maar daarover is, ondanks diepgaand onderzoek, verder niets bekend. Wel trad het Rheinisches Landestheater tweemaal op. In juli 1943 met de operette Wo die Lerche singt van Franz Léhar en in december van dat jaar met Der Vetter aus Dingsda van Eduard Künneke. Het (nog steeds bestaande) Landestheater uit Neuss had zich gevestigd in Arnhem. In januari 1944 werd de komische operette Der Blauwe Heinrich opgevoerd door de Spieloperette van de Kameropera.

In 1944 vestigde zich op een zolderkamertje de Arbeidscentrale van het Leidse Nationaal Steunfonds. De Arbeidscentrale hield zich bezig met het vervaardigen van valse papieren. De schouwburg werd beheerd door het echtpaar Arnold en Johanna van Nieuwkerk-Link, zij boden behalve aan de Arbeidscentrale, ook een tijdje onderdak aan mr. H.R. Goudsmit. Deze Leidse advocaat was lid geweest van het schouwburgbestuur, maar op last van de bezetter ontslagen omdat hij Jood was.

Go to Locatie

Locatie

900+ locaties

Go to verhaal

verhaal

950+ verhalen

Go to Tijdlijn

Tijdlijn

400+ datums

Go to trefwoord

trefwoord

375+ trefwoorden