Engers-Weinberg, Izaak en Dina

Gepubliceerd op

Izaak Engers (1885) was luitenant-kolonel van de infanterie. In 1942 werden de beroepsofficieren van het voormalige Nederlandse leger (opnieuw) in krijgsgevangenschap weggevoerd naar Duitsland. Engers werd overgebracht naar het Duitse krijgsgevangenkamp Neubrandenburg (Oflag 67) en later naar Tittmoning (Ilag VII). Hij overleefde de oorlog, keerde terug naar Leiden en overleed in 1964.
Engers en zijn vrouw Dina (Bernardina, 1920) woonden in huis bij hun dochter Hetty en hun schoonzoon Henk Speijers. Ook Henk moest in 1942 opnieuw in krijgsgevangenschap. Na een ontsnappingspoging werd hij overgebracht naar KZ Mauthausen en daar op 3 april 1944 geëxecuteerd.

In 1942 dreigde voor Dina en haar dochter deportatie naar het Oosten maar het lukte hen om op de zogeheten lijst-Frederiks te komen en ze werden in het “Joods tehuis” in Barneveld ondergebracht. In september 1943 werden alle bewoners toch naar Westerbork gebracht en een jaar later naar KZ Theresienstadt. Moeder en dochter overleefden de oorlog. Dina overleed in 1977.

Het “Joods tehuis” in Barneveld
Over het verblijf van een groep Joden in het landhuis De Schaffelaar en in kamp De Biezen in Barneveld is veel informatie te vinden op internet. Een zeer uitgebreide website is wikiwand. Hieronder volgt een korte samenvatting van de belangrijkste aspecten.

Een kleine groep Joden, maximaal 650 personen, heeft een jaar kunnen verblijven in het landhuis De Schaffelaar en het kamp De Biezen in Barneveld. Hun namen stonden op een lijst, die was aangelegd door de secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken K.J. Frederiks en de secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming J. van Dam. Wie op die lijst stond zou ‘niet naar Amsterdam op transport gaan en niet in een werkkamp of in het buitenland te werk worden gesteld’, zoals schriftelijk werd toegezegd. Kennelijk was een gedwongen verhuizing naar de hoofdstad voor velen al een schrikbeeld.

Frederiks had in de zomer van 1942 gedaan weten te krijgen van de Generalkommissar zur besonderen Verwendung Fritz Schmidt dat enkele ‘verdienstelijke’ Joden met inbegrip van hun familieleden voorlopig van deportatie werden vrijgesteld. Dat waren goede bekenden van hem. Om begrijpelijke redenen wilden veel Joden die er lucht van kregen ook op de lijst komen te staan. De lijst werd steeds langer met de namen van personen uit de hogere maatschappelijke kringen. Over het motief van Frederiks om steeds weer namen aan de lijst toe te voegen bestaat verschil van mening. Aan zijn edelmoedigheid wordt meestal weinig geloof gehecht en hij is na de oorlog een omstreden figuur gebleven.

De historici zijn niet zeker van de reden waarom Frederiks van Schmidt de toezegging kreeg dat de mensen op de lijst vrijstelling van deportatie kregen. Waarschijnlijk hadden alle betrokkenen zo hun motieven. Er was een rivaliteit tussen Schmidt en de Generalkommisar für das Sicherheitswesen en höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter, de zetbaas van Heinrich Himmler. Schmidt vertegenwoordigde de NSDAP en probeerde de macht van Rauter zoveel mogelijk te beperken. Mogelijk zagen beiden Nazi’s in, dat de bovenste laag Joden op deze manier een tijdje zoet zou kunnen worden gehouden. Die tactiek was common practice, want tal van Joden kregen om allerlei redenen een Sperre bis auf weiteres. Uiteindelijk bleken die allemaal waardeloos te zijn. Dezelfde truc werd in 1943 gebruikt om niet-Joden te paaien met vrijstellingen voor de arbeidsinzet. Hoop doet leven en houdt de mensen rustig.

In het najaar van 1942 stelde Frederiks voor om de mensen die op de lijst stonden bij elkaar te brengen op het landhuis (“kasteel”) De Schaffelaar onder de naam van Joods tehuis. Velen zullen de hoop hebben gehad dat het veiliger was om naar Barneveld te vertrekken dan om in hun eigen woonplaats te blijven of om onder te duiken. De Schaffelaar raakte vol en daarom werd een dependance geopend op het nabijgelegen landgoed De Biezen. Daar woonde men in barakken. De bewoners hadden het materieel niet slecht en ze beschikten in veel gevallen over hun eigen meubilair. Maar er hing uiteraard een constante angst voor deportatie, gevoed door de onzekerheid over familie en kennissen die uit Nederland verdwenen en over hun eigen toekomst.

Door de plotselinge dood van Schmidt, die op 20 juni 1943 in Frankrijk uit een rijdende trein was gevallen (of geduwd), viel diens protectie weg en greep Rauter (in opdracht van Berlijn) zijn kans. Alle ongeveer 600 bewoners van het Joods tehuis werden op 29 september 1943 naar Kamp Westerbork gebracht. 22 Joden namen de vlucht en doken onder. In Westerbork verbleven ze in een speciale barak en waren ze vrijgesteld van deportatie. Onder de Joden die al in Westerbork zaten was enig leedvermaak over de degradatie van de prominenten, die hun (ten opzichte van Westerbork) luxe leventje wreed zagen verstoord.

De Barnevelders bleven zo een jaar in Westerbork totdat ze op 4 september 1944 met een van de laatste transporten werd gedeporteerd. Ongeveer 1500 mensen gingen naar KZ Bergen-Belsen, maar de Barnevelders gingen naar KZ Theresienstadt. Ook daar bleven ze als groep bij elkaar. De levensomstandigheden waren er slecht, maar de meesten van hen maakten er de Bevrijding mee. Uiteindelijk is de schriftelijke toezegging van Schmidt toch bewaarheid geworden.