Fontijn-Bosman, familie

Gepubliceerd op

Vooral in de maanden maart tot en met juli 1943 werden er tientallen woningen ontruimd van Joden die waren ‘geëvacueerd’. Een verhullend eufemisme voor deportatie. Veel woningen die zij achterlieten waren gehuurd. De verhuurder zag zich geconfronteerd met een lege woning, waarin vaak nog wel wat oude spullen waren achtergebleven en die moest worden opgeknapt voordat er nieuwe huurder in konden trekken. Bovendien bleven de woningen nog enige tijd verzegeld door de politie, zodat de verhuurder niet aan de slag kon. In het Leidse politieverslag zit een brief van zo’n verhuurder, die zijn beklag doet over de gebrekkige en trage afwikkeling van de ontruiming van de woning van de familie Fontijn in de Kernstraat.

Daar woonden de bejaarde ouders Antonie (1860) en Suzanna Fontijn-Bosman (1873) met hun twee zonen Isidor (1909) en Alexander (1916). Hun dochter Frederika Clara (1907) was gehuwd en woonde met haar man en drie kinderen in Scheveningen.
Alexander was leerling geweest van de Avondtekenschool in de Paul Krugerstraat, maar mocht die school in september 1941 niet meer bezoeken. Hij werd in augustus 1942 gearresteerd op verdenking van communistische activiteiten. Vóór de oorlog was hij verslaggever van het communistische Volksdagblad. Hij werd overgebracht naar het Oranjehotel in Scheveningen. Van daar uit werd hij, omdat hij Jood was, via Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz, waar hij op 25 september 1942 werd vermoord. Zijn oudere broer Isidor werd op 11 december 1942 in Westerbork ingeschreven. Daar zou hij tot aan de Bevrijding blijven. Hij emigreerde later naar Israël en overleed daar in 1972. Frederika werd met haar man en kinderen vermoord in Sobibór op 2 juli 1943. Antonie en Suzanna werden op 7 maart 1943 opgepakt en naar Westerbork gebracht, gingen op 23 maart op transport in Sobibór en werden daar drie dagen later bij aankomst vergast.

Bij het echtpaar Fontijn woonde ook enige tijd de weduwe Mietje Hart-Stad. Waarschijnlijk is zij uit haar woning in de Haarlemmerstraat gezet en bij Fontijn ingetrokken. De twee jongens waren weg, dus er was ruimte vrij gekomen. Mietje werd op 13 maart 1943 in Auschwitz vermoord.

Ontruiming, leegstand en verhuur
Nadat de ouders waren afgevoerd was het huis verder onbewoond. Volgens een lijstje in het politiearchief werd het pand ontruimd op 18 mei 1943. Drie weken eerder was er in het pand ingebroken en was alles doorzocht. Een paar dagen later bleken er opnieuw mensen in het huis te zijn geweest. Rechercheur Willem de Groot van de Documentatiedienst kwam eens kijken, verzegelde de deuren en spijkerde het opengebroken achterraam dicht. Diezelfde middag nog kwamen er drie mannen, waarschijnlijk om op te nemen wat er weggehaald moest worden. Bij de ontruiming zullen alleen de bruikbare spullen zijn meegenomen. De kleinere waardevolle spullen zullen wel gestolen zijn.
Op 1 juni 1943 stuurde een huisbaas een brief naar de politie over een probleem met zijn verhuurde woning in de Kernstraat. Het echtpaar Fontijn was half maart door de ‘Duitsche autoriteiten’ uit hun woning gehaald en de woning was daarop verzegeld. Met veel moeite had hij de woning weer vrij kunnen krijgen en met ingang van 1 juni kunnen verhuren. De woning had eerst gereinigd moeten worden want ‘waar joden jaren gewoond hebben, is het smerig en verwaarloosd, zoodat ik moet laten behangen, schilderen en waar joden een hekel aan tocht hebben en weinig luchten is ook de voorkamervloer geheel verrot en verstikt, zodat ik groote onkosten aan dit huis heb’. Ook was de verhuurder twee maanden huur, fl. 50,=. misgelopen. Graag wilde hij dat al deze kosten werden betaald.
Het antwoord liet wat lang op zich wachten en daarom stuurde hij op de 26e een herinnering. Hij had ondertussen van de Gemeentelijke reinigings- en ontsmettingsdienst een rekening gekregen van fl. 5,51 voor het weghalen van 4 kuub vuil uit het perceel Kernstraat 19, kennelijk achtergebleven na de ontruiming van de woning. Ook moest hij nog voor een tweede sleutel zorgen ‘waar de vorige bewoners waarschijnlijk nog een sleutel meegenomen hebben’. Verder zou hij graag de huurpenningen ontvangen voor de periode na het het vertrek van Fontijn.
De brief werd gelezen en behandeld door rechercheur De Groot van de Documentatiedienst. Ook dat duurde even tot in september 1943. Hij had contact opgenomen met een ambtenaar Van Duijn. Die had de verhuurder doorverwezen naar de ‘in aanmerking komende Duitsche instanties’.

Tekst geheel herschreven op 25 november 2021.