Fabriek van suikerwerken gebr. Pel

Gepubliceerd op

De NV Fabriek van suikerwerken v.h. Gebroeders Pel aan de Morschweg 36-38 produceerde behalve fameuze borstplaat ook bonbons, vruchtenlimonade en siropen. Het waren producten in het luxe-segment die landelijke bekendheid genoten.

Het bedrijf was waarschijnlijk was waarschijnlijk al opgericht in de 19e eeuw en werd in 1922 een NV met Hendrik (1871) en Gerardus Hendrikus (1873) als directeuren. Nadat beiden vóór de oorlog waren overleden kregen de neven mr. J. (Jan, 1903) en mr. C.G. (Cornelis Gerardus, 1913, roepnaam Cor) de leiding en zouden die behouden tot aan de sluiting in 1965.
Volgens de auteur van een artikel over dit bedrijf in het Leids Jaarboekje van 1994 waren de neven niet zo geïnteresseerd in de fabriek; geld speelde geen rol. Het interieur en het productieproces zouden tot aan het einde van de fabriek maar heel weinig veranderen.

Oorlogsjaren
Als gevolg van een nieuwe fiscale regeling omtrent de dividendbelasting werd in 1942 de bedrijfsvorm omgezet van een NV in een Commanditaire Vennootschap. Met ingang van 31 december 1942 waren Jan en Cor de beherend vennoten en waren er twee geldschieters.
Ook kwamen er twee procuratiehouders: P. van Weeren en mej. J.E. Vellekoop. Van Weeren was onderdirecteur geweest van de NV. Aangezien beide directeuren zich weinig met de fabriek bemoeiden hadden de procuratiehouders de feitelijke leiding.

Collaboratie
Hoewel de neven Pel beide tot het nationaalsocialistische dan wel Duitsgezinde kamp behoorden was daar volgens een oud-werknemer binnen de fabriek weinig van te merken.

Na de oorlog werden beide directeuren opgepakt door de POD/PRA: mr. J. Pel wegens lidmaatschap van de NSB en zijn neef mr. C.G. Pel wegens collaboratie of anderszins. Vooral C.G. Pel was kennelijk zeer Duitsgezind geweest. Ze werden niet berecht, maar voorwaardelijk buiten vervolging gesteld met een hoge boete. Op 21 maart 1946 werden ze uit de Doelenkazerne vrijgelaten. Kennelijk geen schokkende zaken.

Roofoverval
Nadat er al eerder suiker was gestolen werd de fabriek op 16 februari 1945 het slachtoffer van een overval. Tegen de klok van zes uur ’s avonds arriveerde de controleur van de fabriek om de deur te openen voor de nachtwakers die zouden komen. Direct drongen acht mannen de fabriek binnen. Ze zeiden dat ze van de ondergrondse waren en de suiker van de Wehrmacht kwamen halen. De twee nachtwakers werden opgesloten, samen met de chef suikerwerken, die zijn fiets en sleutels kwam halen. De controleur wilde graag naar huis omdat hij zijn eten anders zou missen; dat werd toegestaan, maar twee overvallers gingen met hem mee en bleven tot de volgende ochtend zes uur bij hem thuis.

De volgende morgen kwam de controleur een kijkje nemen en aangezien alles rustig was belde hij de directeur, die op zijn beurt de politie inlichtte. De overvallers, die gewapend waren, hebben de buit op een schuit geladen.
Directeur Jan Pel bevestigde dat de suiker door het Wirtschaftskommando 7 op 12 februari in beslag was genomen. Er werden zeker 20 balen suiker van ieder 100 kilo vermist.

Twee beschrijvingen
Behalve een beschrijving in het rapport van de Leidse politie is er ook nog een versie te vinden in het Logboek van de 3e sectie van de 1e stootcompagnie van de Leidse Binnenlandse Strijdkrachten. die komt grotendeels overeen met het politierapport, maar met enkele kleine bijzonderheden. Eén van de overvallers, een zekere Rein, werd herkend door een personeelslid dat aanklopte. Die werd afgekocht met een baal suiker. De buit bedroeg 1700 kilo. Dat is een verschil van twee balen suiker met de opgave van de fabriek.

Arbeidsconflict in 1946
Nadat de gebroeders zich na het uitzitten van hun straf in maart 1946 weer bij het bedrijf hadden laten zien vroeg het kantoorpersoneel een onderhoud aan me de minister-president Schermerhorn. Naar aanleiding daarvan werd notaris J.C. van Eck aangewezen als beheerder. Per 1 augustus werd de bewindvoering door het Nederlands Beheersinstituut opgeheven en stond niets de terugkeer van beide eigenaren meer in de weg.
Per 1 augustus kwamen ze terug in het bedrijf. Het kantoorpersoneel legde het werk neer vooral wegens de terugkeer van een der beide vennoten mr. C.G. Pel. Die was duidelijk de gebeten hond.
Het conflict haalde de dagbladen. De Nieuwe Leidsche Courant sprak er schande van dat goede Nederlanders, die het bedrijf na de oorlog draaiende hadden weten te houden, de dupe werden van de “barmhartigheid” die de overheid vertoonde ten opzichte van politieke delinquenten, die met de vijand hadden geheuld. Het kantoorpersoneel voelde dat de heren nog een rekening moesten vereffenen omdat het kantoorpersoneel zich belastend over hen had uitgelaten.

Het Leidsch Dagblad berichtte ook over dit conflict, aanvankelijk met een kort bericht met weglating van de politieke dimensie, maar dat werd een dag later goedgemaakt met een forse aanvulling. Het Leidsch Dagblad (dat zelf na de Bevrijding was getroffen door een verschijningsverbod en pas op 1 februari weer was verschenen) vond het gepast om de beide vennoten hun zegje te laten doen in het kader van “hoor en wederhoor”. Dat was kennelijk een nieuwe aanpak van na de oorlog, want in de dagbladen van vóór de oorlog is een dergelijke aanpak nauwelijks of niet te vinden. Vooral C.G. Pel voelde zich al vanaf 1942, toen hij beherend vennoot werd, door enkele kantoormensen onheus bejegend, waarbij ook persoonlijke rancune een rol speelde. De procuratiehouder was onderdirecteur geweest van de NV en voelde volgens C.G. (Cor) zijn benoeming tot procuratiehouder als een degradatie. Cor Pel mocht in de krant zijn gram spuien en met modder gooien, maar het kantoorpersoneel kwam in de krant verder niet aan het woord.
Over de afloop is niets bekend, maar het vereist weinig fantasie om te veronderstellen dat de betrokken werknemers zullen hebben ingebonden of dat ze een andere werkkring hebben gezocht.

Het is overigens wel heel bijzonder om te lezen dat P. van Weeren en mej. J.E. Vellekoop in mei 1943 óók procuratiehouder werden van de CV Cannoo’s Fabriek van voedingsproducten, gelegen aan de Morsweg 48. Cor Cannoo was volgens een notitie van de Leidse winkelier Han de Wilde in zijn dagboek een collaborateur geweest en waarschijnlijk door “het verzet” op 17 december 1944 doodgeschoten.