Meijers, E.E.M.

Gepubliceerd op

Professor E.E.M. (Eduard) Meijers (1880-1954) was hoogleraar burgerlijk recht en internationaal privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden. In november 1940 werd hij ontslagen omdat hij Jood was. Zijn ontslag was de directe aanleiding voor het hooglerarenprotest op 26 november 1940. Op internet is veel informatie over zijn levensloop te vinden.

In de eerste jaren van de oorlog werd Meijers bijgestaan door tal van bevriende juristen en bekenden en de advocate L. van Taalingen-Dols. Zij publiceerde in 1960 het boek De strijd om een mensenleven: 1940-1945. over haar ervaringen in de zaak-Meijers.  Van alles werd uit de kast gehaald om voor het gezin Meijers (zijn vrouw en één thuiswonende dochter) een beschermde status te verkrijgen. Er werd zelfs geprobeerd om voor de atheïst Meijers een verklaring te krijgen dat hij protestant was. Van Taalingen-Dols reisde vergeefs naar Berlijn om bij de SS voor Meijers te pleiten. Uiteindelijk lukte het alleen om op de zogeheten “lijst-Frederiks” te komen, wat vrijstelling van deportatie leek te garanderen. De familie kon terecht in het Joods tehuis in Barneveld. In 1943 werden de bewoners van het tehuis overgebracht naar Westerbork en in september 1944 toch gedeporteerd naar KZ Theresienstadt. Meijers en zijn familie overleefden daar de oorlog.

Het “Joods tehuis” in Barneveld
Over het verblijf van een groep Joden in het landhuis De Schaffelaar en in kamp De Biezen is veel informatie te vinden op internet. Een zeer uitgebreide website is wikiwand. Hieronder volgt een korte samenvatting van de belangrijkste aspecten.

Een kleine groep Joden, maximaal 650 personen, heeft een jaar kunnen verblijven in het landhuis De Schaffelaar en het kamp De Biezen in Barneveld. Hun namen stonden op een lijst, die was aangelegd door de secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken K.J. Frederiks en de secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming J. van Dam. Wie op die lijst stond zou niet ‘naar Amsterdam op transport gaan en niet in een werkkamp of in het buitenland te werk worden gesteld’, aldus de schriftelijke toezegging.

Frederiks had in de zomer van 1942 gedaan weten te krijgen van de Generalkommissar zur besonderen Verwendung Fritz Schmidt dat enkele ‘verdienstelijke’ Joden met inbegrip van hun familieleden voorlopig van deportatie werden vrijgesteld. Dat waren goede bekenden van hem. Om begrijpelijke redenen wilden veel Joden die er lucht van kregen ook op de lijst komen te staan. De lijst werd steeds langer met de namen van personen uit de hogere maatschappelijke kringen. Over het motief van Frederiks om steeds weer namen aan de lijst toe te voegen bestaat verschil van mening. Aan zijn edelmoedigheid wordt meestal weinig geloof gehecht en hij is na de oorlog een omstreden figuur gebleven.

De historici zijn niet zeker van de reden waarom Frederiks van Schmidt de toezegging kreeg dat de mensen op de lijst vrijstelling van deportatie kregen. Waarschijnlijk hadden alle betrokkenen zo hun motieven. Er was een rivaliteit tussen Schmidt en de Generalkommisar für das Sicherheitswesen en höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter, de zetbaas van Heinrich Himmler. Schmidt vertegenwoordigde de NSDAP en probeerde de macht van Rauter zoveel mogelijk te beperken. Mogelijk zagen beiden Nazi’s in, dat de bovenste laag Joden op deze manier een tijdje zoet zou kunnen worden gehouden. Die tactiek was common practice, want tal van Joden kregen om allerlei redenen een Sperre bis auf weiteres. Uiteindelijk bleken die allemaal waardeloos te zijn. Dezelfde truc werd in 1943 gebruikt om niet-Joden te paaien met vrijstellingen voor de arbeidsinzet. Hoop doet leven en houdt de mensen rustig.

In het najaar van 1942 stelde Frederiks voor om de mensen die op de lijst stonden bij elkaar te brengen op het landhuis (“kasteel”) De Schaffelaar onder de naam van Joods tehuis. Velen zullen de hoop hebben gehad dat het veiliger was om naar Barneveld te vertrekken dan om in hun eigen woonplaats te blijven of om onder te duiken. De Schaffelaar raakte vol en daarom werd een dependance geopend op het nabijgelegen landgoed De Biezen. Daar woonde men in barakken. De bewoners hadden het materieel niet slecht en ze beschikten in veel gevallen over hun eigen meubilair. Maar er hing uiteraard een constante angst voor deportatie, gevoed door de onzekerheid over familie en kennissen die uit Nederland verdwenen en over hun eigen toekomst.

Door de plotselinge dood van Schmidt, die op 20 juni 1943 in Frankrijk uit een rijdende trein was gevallen (of geduwd), viel diens protectie weg en greep Rauter (in opdracht van Berlijn) zijn kans. Alle ongeveer 600 bewoners van het Joods tehuis werden op 29 september 1943 naar Kamp Westerbork gebracht. 22 Joden namen de vlucht en doken onder. In Westerbork verbleven ze in een speciale barak en waren ze vrijgesteld van deportatie. Onder de Joden die al in Westerbork zaten was enig leedvermaak over de degradatie van de prominenten, die hun (ten opzichte van Westerbork) luxe leventje wreed zagen verstoord.

De Barnevelders bleven zo een jaar in Westerbork totdat ze op 4 september 1944 met een van de laatste transporten werd gedeporteerd. Ongeveer 1500 mensen gingen naar KZ Bergen-Belsen, maar de Barnevelders gingen naar KZ Theresienstadt. Ook daar bleven ze als groep bij elkaar. De levensomstandigheden waren er slecht, maar de meesten van hen maakten er de Bevrijding mee. Uiteindelijk is de schriftelijke toezegging van Schmidt toch bewaarheid geworden.