Gelderen, Leon van

Gepubliceerd op

Ir. Leon van Gelderen (1905), een zoon van Aron en Mietje van Gelderen-Koekoek uit de Vreewijkstraat, was als elektrotechnisch ingenieur werkzaam bij de Gemeentelijke Lichtfabrieken.  Van Gelderen zal in november 1940 van zijn functie in overheidsdienst zijn ontheven. Mogelijk is hij daarna nog als volontair bij de Lichtfabrieken gebleven. In ieder geval werd hij in 1941 definitief ontslagen.

Na het behalen van zijn diploma elektrotechnisch ingenieur had hij jarenlang bijles gegeven in radiotechniek, wiskunde en mechanica aan leerlingen die voor verschillende diploma’s studeerden. Verder was hij radiomonteur.

Van Gelderen was ook een enigszins bekende vioolspeler en gaf vioolles. Hij trad plaatselijk regelmatig op als violist. In 1936 trad hij op in de Hooglandse kerk met de befaamde organist Feike Asma, die tot medio 1943 de vaste bespeler was van het orgel in die kerk. Een jaar later was hij te horen voor de Philips-omroep in Nederlands-Indië. In augustus en september 1940 gaf hij wederom met Feike Asma een concert in de Hooglandse kerk. Daarna werd dat onmogelijk.

Aanrijding met grote gevolgen
Op 3 februari 1941 fietste Van Gelderen ’s middags rond half vier over de Stationsweg toen hij werd geschept door een vrachtwagen van de Wehrmacht. De chauffeur reed door, Van Gelderen werd zwaar gewond overgebracht naar het St. Elisabethhospitaal. Hij bleek een schedelbasisfractuur te hebben opgelopen. Uit een onderzoek van de Leidse politie, dat pas eind juni plaatsvond, bleek dat Van Gelderen niets te verwijten viel.
Nadat hij tien dagen in het St. Elisabethhospitaal had gelegen werd hij voor verdere behandeling overgebracht naar de afdeling neurologie van het Academisch Ziekenhuis, waar hij nog 40 dagen zou worden verpleegd. Zijn toch al niet zo goed functionerend gehoor bleek door het ongeval nog verder achteruit te zijn gegaan. Ook zijn reuk en smaak waren merkbaar verminderd. Dat moet voor Van Gelder een beproeving zijn geweest: als violist slechthorend te worden en als chemicus niet goed meer kunnen ruiken.

Schadevergoeding, maar niet van de Wehrmacht
De totale schade voor Van Gelderen was aardig opgelopen, door de medische zorg na het ongeval: verpleegkosten, dokterskosten, vervoerskosten, schade aan kleding en rijwiel. In eerste instantie wilde Maatschappelijk Hulpbetoon de kosten wel voorschieten, maar sinds december 1940 kon men een beroep doen op het Herstelfonds 1940.
Het Herstelfonds was op last van de bezetter in juni 1940 in het leven geroepen om oorlogsschade te vergoeden en oorlogsslachtoffers enigszins financieel tegemoet te komen. Het fonds werd gevoed door Nederlands belastinggeld zodat er sociaal werd gedaan op kosten van de Nederlandse belastingbetaler. De Wehrmacht weigerde botweg om aangerichte schade te vergoeden en verwees naar het Herstelfonds.
Om voor een tegemoetkoming uit het Herstelfonds in aanmerking te komen, moest Van Gelder zich melden bij de gemeente, die met de uitvoering was belast. De gemeente ging akkoord met de declaratie en betaalde de gedeclareerde bedragen. Aangezien zijn gehoor blijvend beschadig bleek, vroeg Van Gelder ook om een vergoeding uit het Herstelfonds voor de aanschaf van een gehoorapparaat en voor de kosten van lessen in liplezen. De aanschaf van een gehoorapparaat werd toegestaan, maar helaas kon er geen vergoeding worden gegeven voor de lessen.

Geen inkomsten meer, wel een gehoorapparaat
Afgezien van de directe materiële schade ondervond Van Gelder nog een andere groot nadeel van het ongeval: hij had wekenlang niet kunnen werken. Daarbij kreeg hij als Jood ontslag aangezegd per 30 april 1941. Omdat hij geen vaste aanstelling had had hij geen recht op wachtgeld. Hij kreeg nog wel wekelijks een bedrag aan ziekengeld van fl. 22,92 per week in verband met zijn werk maar dat eindigde per 3 augustus. Voor zijn loonderving voor de gemiste lessen (waarmee hij maandelijks rond de fl 60 verdiende) kreeg hij niets. Een extra complicatie ontstond, toen hij op grond van Verordening 198/41 met ingang van 22 oktober 1941 als Jood geen les meer mocht geven. Kortom, Van Gelder zat door een opeenvolging van een ongeval en anti-Joodse maatregelen volledig zonder inkomsten.
Helaas voorzag het Herstelfonds alleen in heel beperkte mate in een tegemoetkoming voor gederfde loonkosten. Daarom kreeg hij vanaf 7 augustus per week maar een bedrag van fl. 5,=. Hij was voorlopig voor 50% arbeidsongeschikt en kreeg daarom ook maar een halve uitkering. Dat was wel heel weinig en Van Gelderen schreef direct weer een brief aan de gemeenteambtenaar die zijn zaak behandelde: “Op ’t ogenblik weet ik waarlijk niet waarvan ik moet bestaan, nu de uitkering van ziekengeld door de Raad van Arbeid is gestaakt en ik nog steeds onder medische behandeling ben daar ik nog ongeschikt ben voor werken”.
Aangezien een mens van die paar gulden nauwelijks kon rondkomen deed hij ook een beroep op Maatschappelijk Hulpbetoon; daar kon hij alleen een minimum aanvullende ondersteuning krijgen van fl 5 per week, vanaf eind september fl. 6, zodat hij toch nog een bedrag van fl. 11,= per week ontving. Een enorme terugval.

Het duurde nog wel even voor Van Gelderen zijn gehoorapparaat in ontvangst kon nemen. In augustus kreeg Van Gelderen bericht van Instrumentenhandel v/h Fa. P. Geervliet uit Amsterdam, dat er nog wel twee maanden overheen konden gaan omdat de levertijd door de schaarste behoorlijk was opgelopen. Ondanks dat het Herstelfonds nog geen goedkeuring had gegeven besloot Van Gelder om dan maar zelf een hoorapparaat te bestellen. Zo’n apparaat werd geleverd met oplaadapparatuur voor de batterijen. In totaal kostte dat fl. 93,42, bijna een maandloon van een ongeschoolde gehuwde arbeider.

50% invalide
De poging van Van Gelder om erkend te worden als invalide in de zin van de Invaliditeitswet werd niet gehonoreerd. Prof. Carp had hem voorlopig slechts voor 50% invalide verklaard, iets dat Van Gelderen bestreed. In een beroepsschrift schreef hij, dat niet alleen zijn gehoor ernstig was verminderd, maar dat hij nog andere kwalen aan het ongeval had overgehouden. Zo was hij nog steeds iedere dag heel vermoeid. Uiteindelijk werd zijn beroepsschrift op 2 april 1942 door de Centrale Raad van Beroep afgewezen.
Ook met de lessen in liplezen wilde het niet vlotten omdat de eerste lerares maar weinig les gaf. Met een andere lerares ging het beter. De lessen werden betaald door de Nederlandse Vereniging tot bevordering van den arbeid door onvolwaardige arbeidskrachten (Arbeid door Onvolwaardigen) in Amsterdam.

De aanrijding door de Wehrmachtsauto heeft dus voor het slachtoffer verstrekkende gevolgen gehad. Hij moest na zijn herstel in de weer met “de instanties” om een schadevergoeding te krijgen. Aan het werk kwam hij niet meer, ook door het feit dat het werken voor Joden nagenoeg onmogelijk was geworden. Desondanks schreef Van Gelderen op 1 juli 1942 een opgewekte brief aan de Leidse burgemeester om te bedanken voor de schadeloosstelling voor het hoorapparaat. En verder schreef hij: ‘Of ik de lessen in ’t liplezen mag blijven nemen hangt af van de beoordeling van den keurenden medicus voor het werkkamp voor Joden, ofschoon ik een verklaring bezit van de Neurologische Kliniek waar ik verleden jaar was opgenomen”. Kennelijk had Van Gelder al een oproep had gehad om zich te melden voor ‘arbeidsinzet in het Oosten’.
Wat er in de anderhalf jaar daarna met ir. Leon van Gelder is gebeurd is nog onbekend. Hoewel hij niet als zodanig bij de Leidse politie geregistreerd heeft gestaan is hij vermoedelijk ondergedoken en opgepakt, want hij arriveerde op 16 december 1943 in Westerbork in barak 67, de barak voor strafgevallen. Op 25 januari 1944 ging hij op transport naar Auschwitz. Zijn sterfdatum is vastgesteld op 31 mei 1944. Leon van Gelderen was ongehuwd.

Tekst gewijzigd op 4 november 2021 en aangevuld op 26 januari 2022.