Ontruiming van woningen door de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg

Gepubliceerd op

In de tweede helft van 1942 verdwenen de eerste Joden uit hun woning. Ze werden gedeporteerd of doken onder. Nadat de Joodse bewoners hun woning hadden verlaten werden hun woningen door de politie verzegeld. Veel leeggekomen woningen werden verkocht door de Niederländische Grundstücksverwaltung, in het Nederlands het Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerend goed (ANBO), dat in de zomer van 1941 door de Bezetter was opgericht. Het ANBO had het beheer over het vastgoed gekregen met volmacht om er mee te handelen. De eigenaren hadden er niets meer over te vertellen. Daarover staat een ander verhaal op deze website. Sommige woningen werden niet verkocht, maar verhuurd.
Voordat de huizen daadwerkelijk van eigenaar of bewoner verwisselden vond er nog een andere grove onrechtmatigheid plaats, namelijk de ontruiming van de woningen. De inboedel werd door verhuizers afgevoerd; een deel daarvan ging naar plaatselijke collaborateurs en Duitsers, de rest van de spullen werd op transport gezet naar Duitsland. Wat onbruikbaar werd bevonden werd vernietigd of gewoon in de woning achtergelaten.

Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg
Deze ontruimingen vonden plaats onder leiding van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg, opgericht in 1940 en genoemd naar de nazi-ideoloog Alfred Rosenberg. Rosenberg was een fanatieke nazi en een fanatieke antisemiet, die veel over de nazi-denkbeelden had geschreven. Hij wordt beschouwd als de invloedrijkste nazi-ideoloog. In opdracht van Hitler ging de Einsatzstab systematisch op zoek naar waardevolle Joodse eigendommen en bijzondere cultuurgoederen om ze in beslag te nemen. Vooral Frankrijk en de veroverde gebieden in het Oosten leverden een rijke buit op. De naam en de aard van deze organisatie is niet algemeen bekend, maar over deze activiteit hebben veel mensen wel eens gehoord. De Geallieerden vonden her en der grote opslagplaatsen, helemaal gevuld met schilderijen, beeldhouwwerken en andere kunstvoorwerpen. Die kunstroof was het werk geweest van de Einsatzstab.
Na de oorlog werden de teruggevonden kunstwerken voor zover mogelijk gerestitueerd, maar in nogal wat gevallen konden de oorspronkelijke eigenaars of hun nabestaanden het eigendomsrecht onvoldoende aantonen. Soms konden er geen erfgenamen worden gevonden. Ook werd soms in twijfel getrokken of er wel sprake was geweest van roof. Om uiteenlopende redenen vond er in nogal wat gevallen geen restitutie plaats en belandden de kunstwerken in musea. Over dit onderwerp is erg veel geschreven.

Boeken
Maar alle aandacht voor die enorme kunstroof leidt de aandacht af van de andere gebieden waarop de ERR actief was. En dat was allemaal wat minder spectaculair. Zo werden er ook Joodse archieven en bibliotheken in beslag genomen, zoals bijvoorbeeld de bibliotheek van het Spinozahuis in Rijnsburg.De meest waardevolle werken moesten worden opgezonden naar het in Frankfurt am Main gevestigde Institut zur Erforschung der Judenfrage, wat overbleef kon worden vernietigd. De ERR werkte ook gestadig aan een lijst van verboden boeken. In dit verband werd bijvoorbeeld begin 1943 de boekhandel van Garnade in de Steenstraat door een Leidse rechercheur gevisiteerd, maar in deze doorsnee boekhandel werd niets interessants c.q. waardevols aangetroffen. Wel werden wat verboden boeken in beslag genomen.

Ontruimingen van woningen
Behalve met de roof van cultuurgoederen was de ERR ook belast met eenvoudig handwerk als het laten ontruimen van woningen die door de Joodse bewoners waren verlaten. Zelfs een achtergelaten koffer van een kamerbewoner werd opgehaald . Daarover is niet zoveel bekend. Er zat een speciale afdeling in Den Haag, die de opdrachten verstrekte en de administratie bijhield. Het vuile werk werd opgeknapt onder toezicht van de Sipo/SD en de plaatselijke politie.
Bij die ontruimingen in Leiden speelde de Documentatiedienst (de leden waren allen medewerker van de Sipo/SD) van de Leidse politie een rol, zij het een beperkte. Nadat de bewoners waren ‘geëvacueerd’ werd de woning, of de kamer van een kamerbewoner, door de politie verzegeld. Tot aan de dag van ontruiming werd de verzegeling vrijwel dagelijks gecontroleerd. De bemoeienis van de politie eindigde pas wanneer de woning door de Einsatzstab (via de Sipo/SD) werd vrijgegeven. Meestal was dat vlak voordat de nieuwe bewoner of de nieuwe eigenaar de beschikking over de woning zou krijgen. Bij verhuurde woningen kon de verhuurder dan pas een nieuwe huurder toelaten.
In Leiden zijn de woningen vooral in de maanden maart tot en met begin juli 1943 leeggehaald, kort voordat de eigen woningen werden verkocht. Veel van de vrijgekomen woningen werden betrokken door collaborateurs, die soms ook de inboedel overnamen. Daarbij speelde de leider van de plaatselijke afdeling van de NSDAP (de Ortsgruppeleiter) een beslissende rol. De verhuurder had het maar te accepteren.

Restitutie of tweede roof?
Sinds een jaar of vijfentwintig is er veel aandacht voor de restitutie van geroofde kunstwerken aan de rechthebbenden. Bekend is de zaak rond de kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Er is onder meer onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van roofkunst in het museum de Lakenhal en het Rijksmuseum voor Oudheden.
Het spoor van de geroofde inboedels is ultrakort, zeker wanneer de meubels naar Duitsland zijn getransporteerd. De leraar Robert Herman Cohen overleefde de oorlog in KZ Theresienstadt en keerde terug naar Leiden. Hij ging op zoek naar zijn verdwenen spullen en vroeg uiteindelijk aan de Leidse politie of die er meer van afwist. Helaas was dat niet het geval. Dat zal inderdaad wel zo zijn geweest, aangezien de politie daar geen daadwerkelijke bemoeienis mee had gehad.

Maar zo hier en daar is er wel wat over te vinden. In sommige gevallen hadden mensen enkele bezittingen ergens opgeslagen of in bewaring gegeven aan kennissen. Bij terugkeer na de Bevrijding klopten ze (of hun erfgenamen) dan weer aan om hun eigendommen terug te krijgen. Dat leverde herhaaldelijk problemen op. Louis Weijl bijvoorbeeld bleek de enige overlevende van een gezin van twee broers en vier zussen, allen ongehuwd. Het pand van de bakkerij in de Kloksteeg was niet verkocht, maar de inboedel van het woongedeelte was onder diverse mensen verspreid.

Klaarblijkelijk weigerden die personen de goederen terug te geven of te vertellen wat er mee was gebeurd, zodat de getergde Louis zelfs een advertentie in de krant plaatste waarin hij enkele met naam genoemde personen opriep om de spullen terug te geven.
Kennelijk zijn tal van inboedels tijdelijk opgeslagen bij Van Velzen, Utrechtse Veer 28. Dat blijkt uit een brief van diens accountant H.M.V. aan commissaris R.J. Meijer van de Leidse politie, gestuurd op 9 juni 1945. De accountant deelde mee dat er bij Van Velzen ‘geregeld onaangenaamheden’ waren geweest en hopelijk wilde de politie daar rekening mee houden. Nu vroeg hij de politie om enige coulance ten opzichte van de hoogbejaarde Van Velzen omdat er sprake was geweest van een ’toegepast terreursysteem’. De zaken waren destijds weggehaald door de SD uit Den Haag. Mogelijk was er ook door derden gestolen. De kleine voorwerpen waren er niet meer.

Uit deze voorbeelden  blijkt duidelijk dat de gedeporteerde en ondergedoken Joden het slachtoffer waren geworden van een tweede roof, nu door gewone Nederlanders.

Vrees voor hernieuwd Antisemitisme
Het was alleszins een redelijke brief van V., maar er zat een bijlage bij. Een getypt briefje met in rood het opschrift ‘confidentieel’. Daarin was V. wat openhartiger:

‘Aangezien al het Joodsch bezit voorlopig alvorens vrij te geven, z.g. “bevroren” is, en ik verwijs u naar de reeds bekend gemaakte verordeningen, en de Comm. v. Herstel, en Beheer, alhier, dienen al de teruggekomen Joodsche lieden zich hieraan te onderwerpen. Het is mij bekend, dat in sommige gevallen zij al gedreigd hebben met laten gevangen nemen, trachten hun goed zo maar te naasten, zonder enige rechten momenteel, e.d., zodat zaken, als welke hedenmorgen ten huize van de fam. v. Velzen inzake een lichtkroon plaats hadden, toch wel hoogst onaangenaam zijn, temeer, daar achteraf bleek, dat men uw dienst blijkbaar van onjuiste voorlichting had gediend! Uiteraard heb ik in mijn positie als accountant van een grote Joodse zaak alhier wel enige ervaring met dit soort werk, en wacht mij weldegelijk ervoor, bepaalde fouten, e.d. te maken.
Wij zijn als Nederlanders, erg gesteld op behoorlijke juridische afwikkelingen, e.d. en geen vrienden van insinuaties, ook niet van hen, die thans nog het leven eraf brachten en gezien hun pers. opvattingen weder trachten de 1ste viool te spelen, en veel meer drukte maken, dan honderden, die als niet-Joden evenzeer getroffen zijn, doch dat is in sommige van hun ogen n i e t s te vergelijken met hetgeen hun is overkomen, en in het bijzonder merkwaardigerwijze diegenen, die nog ondergedoken waren en niet in strafkampen, e.d. gezeten hebben.’

Het is een ongemakkelijke vraag in hoeverre de opvattingen van V. gedeeld werden door een groot publiek. In ieder geval waren de overheden, niet het minst de Nederlandse regering, beducht voor een opflakkering van het antisemitisme wanneer de Joden coulant zouden worden behandeld, laat staan een voorkeursbehandeling zouden krijgen.

Geen restitutie mogelijk
Cornelis van Velzen was al aardig op leeftijd, maar had in 1945 kennelijk nog de dagelijkse leiding. Het expeditie- en verhuisbedrijf was in 1908 opgericht en had een behoorlijke omvang bereikt. Dat het bedrijf werd ingeschakeld voor de opslag van meubilair en dat die meubelen ook elders nog zijn opgeslagen blijkt uit een advertentie van het bedrijf in het Leidsch Dagblad op 11 januari 1943: ‘Bergruimte voor meubelen te huur gevraagd’. Maar na de oorlog was er veel verdwenen.

De zaak bleef onder de aandacht van de Leidse politie. Die plaatste op 13 februari 1946 een oproep in het Leidsch Dagblad met het [dringende] verzoek ‘al diegenen, die goederen in bewaring of opslag verkregen hebben van den expediteur C.L. van Velsen, Utrechtsche Veer 28 … zich ten spoedigste en in hun eigen belang onder opgave van de in bewaring of opslag verkregen goederen te wenden tot de afdeling Recherche van het Politiebureau.’ Verder onderzoek zal moeten uitwijzen of deze oproep enige gevolgen heeft gehad.