Leidse asocialen in de Friese werkkampen It Petgat en De Witte Peal

Gepubliceerd op

Asociaal noemen we tegenwoordig allerlei overlastgevend gedrag dat ons niet bevalt. Rijgedrag van auto’s en fietsers, rommel achterlaten, bot egocentrisch gedrag, hondenpoep laten liggen, roken in het openbaar, muziek maken, gedragingen van de buren of van de overheid enzovoort enzovoort. Het varieert van bestuurders van dikke patserbakken tot blowende hangjongeren. Wat dat betreft komt asociaal gedrag voor bij rijk en arm en jong en oud. Soms spreekt men over ‘hufters’ of ’tuig’, dat dringend moet worden opgesloten of gehuisvest op gepaste afstand van de burgerij. Daarom komen er hier en daar ‘asowoningen’.

Al in de 19e eeuw waren er initiatieven om de asocialen apart te zetten, niet alleen om ze op een afstandje te houden of zelfs te isoleren, maar ook om ze een heropvoeding te geven. Na de oorlog trouwens bleef die gedachte lange tijd springlevend. In Leiden waren er tot ver in de jaren vijftig van de vorige eeuw enkele straten waarin nogal wat verkrotte panden stonden. In de Caeciliastraat en de Sionsteeg heersten wantoestanden op het gebied van de huisvesting.

Tachtig jaar geleden had men een meer beperkte kring van mensen op het oog. Onder asocialen verstond men hoofdzakelijk stadsbewoners die langdurig, soms al generaties lang, op of onder de armoedegrens zaten, die geen maatschappelijke vooruitzichten hadden en die in maatschappelijk of zedelijk gedrag sterk van de norm afweken. Vaak, maar lang niet altijd, woonden ze in krotten. De mannen hadden vrijwel nooit vast werk en waren meestal werkloos.

Werkverruiming voor werklozen
In de jaren dertig van de vorige eeuw belandde Nederland in een grote economische crisis en de werkloosheid liep hoog op. Voor langdurig werklozen werden er overheidsmaatregelen genomen zoals de kortdurende werkverschaffing of de werkverruiming, die voor langere tijd een minimale arbeidsplaats bood. In Noord- en Oost-Nederland werden tientallen kampen aangelegd voor de huisvesting van arbeiders die aan het werk werden gezet bij ontginningswerkzaamheden tegen een beloning, die maar net boven de steunuitkering lag. De kampen stonden onder beheer van de Nederlandse Heidemaatschappij.

Druk op werklozen opgevoerd
Al vóór mei 1940 waren er plannen gemaakt om meer werklozen aan het werk te krijgen. Maar menig werkloze vertikte het om voor een paar centen meer loon wekenlang grondwerk te verrichten in een werkkamp ver van huis. De enige sanctie die er op weigeren stond, was dat iemand werd uitgesloten van de steunverlening door welke overheidsinstantie dan ook. Vanaf mei 1940 keek de nieuwe Duitse overheid met belangstelling naar Nederlandse arbeidskrachten, omdat er in Duitsland een groot tekort aan was. Bovendien hanteerden de nationaalsocialisten een harde arbeidsmoraal, waarin werkloosheid niet voorkwam. Binnen enkele maanden na het begin van de Bezetting gingen er arbeiders naar Duitsland. Daarover komt een ander artikel op deze website. Het vertrek naar Duitsland ging op vrijwillige basis, maar helemaal vrijwillig was het niet. Werklozen moesten werk in Duitsland aanvaarden op straffe van verlies van alle uitkeringen of steun omdat het werd gezien als passend werk. Ook vóór de oorlog was dat al zo geweest. Maar wie zichzelf kon bedruipen kon niets worden verplicht.

Verordening 42/1941
Eind 1940 werd de arbeidsvoorziening gereorganiseerd en kwam er een Rijksarbeidsbureau met gewestelijke arbeidsbureaus. Werklozen werden verplicht zich aan te melden. Veranderen van werk mocht niet meer zonder toestemming van het arbeidsbureau. Met de invoering van de verordening 42 op 6 mei 1941 kwam een belangrijk instrument beschikbaar voor de invoering van een arbeidsplicht. In feite begon met deze verordening het hele proces van de verplichte arbeidsinzet. Op grond van deze verordening werden bepaalde groepen verplicht om aangeboden werk te aanvaarden op straffe van een boete of gevangenisstraf. Dat was compleet nieuw voor Nederland, maar de doelgroep bestond uit mannen die geen enkele tegenstem konden maken en die door de meerderheid van de bevolking niet voor vol werden aangezien, ja zelfs werden gewantrouwd. Van enig gemor onder de bevolking over deze maatregel is nog nooit iets gebleken.

Lange aanloop
In de circulaires die bij verordening 42/1941 hoorden ging het om drie categorieën:
Als eerste alle werkverruimingsarbeiders en bepaalde werklozen, als tweede de contractbrekers. Over werklozen en contractbrekers zal in andere artikelen op deze website worden geschreven, we beperken ons nu tot derde groep, de mannelijke asocialen.
Het woord ‘asociaal’ werd niet gebruikt, maar omschreven als mensen die werk verrichten ‘van weinig of geen maatschappelijk nut.’ Als asocialen werden bijvoorbeeld ook woonwagenbewoners, orgeldraaiers en kermisklanten bestempeld.
In Leiden werd aan het begrip asociaal een heel specifieke invulling gegeven, namelijk mannen zonder vast werk of inkomen, die leefden van klussen, handeltjes, de steunverlening en af en toe een diefstalletje of verduistering. Armoe was troef en het gezinsleven nogal eens weinig harmonieus. In de oorlogsjaren kwam daar al gauw zwarte handel bij. Er waren uiteraard ook vrouwelijke asocialen, daarover komt een ander artikel op de website.

Arbeidsbureau
Het zou nog tot in mei 1943 duren voordat er in Leiden uitvoering werd gegeven aan dit onderdeel van de verordening. De aanwijzing van de werklozen zou gebeuren door de directeur van het arbeidsbureau. Nogal wat ambtenaren van het arbeidsbureau waren afkomstig van de afdeling sociale zaken van de gemeente en van de opgeheven arbeidsbeurs. Die wisten wel ongeveer om wie het ging. Nu moest er worden bepaald wie er voor de tewerkstelling in aanmerking kwam en waar deze mensen konden worden geplaatst. Daarvoor werd de politie ingeschakeld.
Ondertussen was in 1942 de dienstverplichting uitgebreid tot uitzending buiten Nederland, in de regel naar Duitsland. De directeur van het Leidse arbeidsbureau H. Hazelhoff werkte te weinig mee aan de maatregelen en werd eind 1942 ontslagen. De waarnemend directeur Oostveen gaf minder problemen. In april en mei 1943 werd ook een aanvang gemaakt met diverse nieuwe regelingen zoals de jaarklassenregeling, dus op het arbeidsbureau was het een drukte van belang.

Onderzoek door de politie
Begin 1943 werd dan toch daadwerkelijk actie ondernomen om asocialen te selecteren. Van hogerhand kreeg de Leidse politie opdracht om naamlijsten aan te leggen van mannen met lichte criminele antecedenten om ze aan te wijzen voor tewerkstelling in twee speciale werkkampen in Friesland, It Petgat en De Witte Peal. Alle namen werden nagetrokken in de dossiers met als resultaat dat een fors aantal mannen moest afvallen. Zij zaten achter de tralies of moesten binnen afzienbare tijd een straf uitzitten vanwege een veroordeling voor een strafbaar feit. Commissaris Hoffman was van mening, dat recidivisten eigenlijk allemaal naar een werkkamp moesten worden gestuurd na het uitzitten van hun straf. Dat was overigens een wijd gedragen mening. Een werkkamp werd ook gezien als een extra tuchtmaatregel om de werkschuwe aan het werk te krijgen. Het was dus geen tenuitvoerlegging van een opgelegde straf of maatregel, maar een maatregel die louter en alleen werd opgelegd omdat het arbeidsbureau en de politie de betrokkene asociaal vonden.

Transporten
Uiteindelijk werden er twee lijsten opgesteld, een voor It Petgat met tien namen en een voor De Witte Peal met twintig namen. It Petgat was bestemd voor ‘de ergste asociale elementen’. In totaal zou men er drie maanden moeten blijven. Het kamp werd strenger bewaakt en de tewerkgestelden kregen geen verlof, met uitzondering van enkele dagen rond Pasen. In De Witte Peal kreeg men om de drie weken verlof.
Nadat een aantal mannen uit voorzorg in de avond en nacht van 4 op 5 april van huis was opgehaald en op het politiebureau was vastgezet vertrok in de vroege ochtend van dinsdag 6 april om 5.50 een transport vanaf het station onder bewaking van de politie naar Wolvega, waar de mannen voor It Petgat uitstapten, en verder naar Heerenveen voor de mannen met De Witte Peal als eindbestemming. Vanuit Wolvega was het nog een uur lopen naar het kamp. Naar St. Joannesga kon men met de tram. Van de dertig aangewezen personen waren er een paar niet op komen dagen. Twee man werden op de 11e naar ’t Petgat gebracht. Twee anderen bleven nog wat langer onvindbaar.
Vrijwel alle mannen die op transport gingen hadden een strafblad, die met het langste gingen naar It Petgat. De oudste was bijna 56 jaar oud, de jongste net 17. Die was al op jeugdige leeftijd op het dievenpad gegaan. Hij werd vergezeld door zijn vader en nog een familielid. Drie mannen hadden in 1942 al een tijdje doorgebracht in strafkamp Ommen.
De oudere mannen waren meestal getrouwd en hadden een gezin.

Een lijst van ‘asoziale Elemente’ uit Leiden en omgeving.
Een apart intermezzo vormt een schrijven van de Sipo/SD uit Den Haag d.d. 2 juni 1943 over ‘asoziale Elemente’. Ze moesten worden opgepakt en naar de Sipo/SD in Den Haag worden gebracht, Raamweg 16 kamer 9, bij voorkeur met medeneming van was kleding en dergelijke.
Het ging om 72 personen die ‘sich trotz verschiedentlicher Aufforderung des Arbeitsamtes weigern, einer geregelten Beschäftigung nachzugehen. Dat was een omschrijving die paste bij de verordening. Waarschijnlijk waren het “no offenders”, die gewoon een wat ongeregeld leven leidden.
De meeste mannen op deze lijst woonden niet in Leiden maar in de regio. Van de 25 Leidse mannen die op de lijst stonden bleken er drie niet in het bevolkingsregister te zijn opgenomen. Tien werden er thuis niet aangetroffen; vijf waren er al naar strafkamp Ommen gebracht. Vier werkten er in Duitsland. Slechts drie mannen waren aangehouden. Onder hen T.K. die uit Duitsland was weggebleven en een tijdje clandestien had gewerkt in Leiden en omgeving. Hij had zichzelf op 19 mei aangegeven en was al de volgende dag niet naar een Fries werkkamp, maar naar strafkamp Ommen overgebracht, waarschijnlijk omdat ie ondergedoken had gezeten en clandestien had gewerkt. Eén van de mannen op de lijst die óók naar Ommen was gebracht bleek daar korte tijd later niet te zijn aangekomen omdat hij met toestemming van M. Smit van het arbeidsbureau werk had aanvaard voor de Wehrmacht in Frankrijk. Deze man staat in september ook weer op een opsporingslijst, dus hij zal niet of niet lang in Frankrijk werkzaam zijn geweest. De zoekactie in Leiden had dus welgeteld twéé arrestanten opgeleverd.

It Petgat en De Witte Peal
Beide kampen waren opgericht voor de werkverschaffing en stonden onder beheer van de Heidemaatschappij. Ze zijn vooral bekend omdat er in 1942 gedurende een aantal maanden Joodse mannen in waren ondergebracht. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 werden al deze kampen (ongeveer 40 in totaal) ontruimd en alle mannen werden overgebracht naar Westerbork. In veel gevallen werd ook hun familie opgepakt. In Leiden was dat bijvoorbeeld de familie Bierschenk. Na de ontruiming werd It Petgat op 19 oktober weer in gebruik genomen, nu voor te tewerkstelling van asocialen door de Rijksdienst voor de Werkverruiming.

Uit de beschrijvingen die bekend zijn uit de periode als werkkamp voor Joden in het boek Jodenkampen van Niek van der Oord (onder andere van Guus van der Wijk) is wel duidelijk dat het werk zwaar en eentonig was. Het bestond hoofdzakelijk uit zware grondarbeid zoals het uitbaggeren van veengebieden. Voor velen was dat bepaald geen pretje en daarom namen er enkele de benen.

Ontvluchtingen
Het leven in het kamp zal de meesten zwaar zijn gevallen en verschillende mannen hadden geen zin om de drie maanden vol te maken. Al op 9 mei ontvluchtten drie Leidse mannen De Witte Peal onder wie een zekere B. Ze keerden terug naar Leiden, waar ze al snel betrokken raakten bij een duister zaakje: de oplichting van de manufacturen- en confectiewinkel van Van Cleef in de Haarlemmerstraat. Daar werd met behulp van een zich als Duits militair voordoende persoon zes karpetten onder valse voorwendsels ‘in beslag genomen’ zonder te betalen. De drie werden al snel aangehouden en op 7 juli opnieuw naar De Witte Peal in Friesland gebracht. Later dat jaar werd B. opnieuw in Leiden aangehouden en voor de derde maal naar Friesland gebracht, maar nu naar It Petgat. Om een of andere reden werd hij ondanks zijn gedrag coulant behandeld, want hij had ook overgedragen kunnen worden naar strafkamp Erika in Ommen.

In het eerste transport naar It Petgat zat een zekere Pieter de V. Hij schreef al na bijna drie weken, tijdens zijn paasverlof, een brief aan de politie over zijn ervaringen. Hij had geen strafblad, maar zat er ’tussen een stelletje mensen van het minste soort alle mensen die de zwarte handel zitten en ook zij die werk in Duitsland geweigerd hebben’. Saillant detail is wel, dat hij gediend had bij de Waffen-SS, aan het Oostfront gewond was geraakt en was afgekeurd. Terug in Leiden was het hen niet gelukt zijn oude beroep van radiomonteur weer op te pakken. Dit is wel een uitzonderlijk voorbeeld. Kennelijk hadden noch zijn nationaalsocialistische gezindheid noch zijn blijvende oorlogsverwondingen hem behoed voor zoiets afschuwelijks als het werkkamp. De V. besloot om na zijn verlof niet meer naar Friesland terug te keren. Hij was niet de enige.
Ook L. de W., die in De Witte Peal zat, vroeg om het kamp te mogen verlaten. Hij zal wel nul op het rekest hebben gekregen, want op 6 mei werd hij door het arbeidsbureau bij de politie gemeld omdat hij na zijn verlof niet was teruggekeerd. En zo waren nog vier anderen thuisgebleven.

F.R., die met het transport van 6 april 1943 naar De Witte Peal was gebracht, bleek al op de 11e stilletjes te zijn vertrokken, maar werd al snel in Leiden aangehouden en op de 19e teruggebracht. Tijdens het paasverlof werd hij overgeplaatst naar (het strengere) It Petgat als disciplinaire maatregel. Maar op de 26e nam hij opnieuw de benen. Ook de andere vluchters probeerden uit handen van de politie te blijven en werden op die manier onderduikers. Wellicht kozen zij eieren voor hun geld en gingen in Duitsland werken. Of deden alsof en probeerden uit het zicht van de politie te blijven. Het werden onderduikers.
Ook een tweede vluchter van 9 mei kwam opnieuw in het kamp terecht. Hij schreef op 16 juli een brief aan de Leidse commissaris waarin hij om enkele extra dagen verlof vroeg om ‘zijn zaken’ met de belastingdienst te kunnen regelen en zijn gezin te kunnen bezoeken. Helaas werd het verzoek afgewezen omdat de politie vreesde, dat hij met ‘zaken’ zwarte handel bedoelde. De oplichtingszaak van B. zal daar wel een rol bij hebben gespeeld.
Een zekere L.P. wachtte zijn transport naar De Witte Peal niet af. Hij was door de politie opgepakt en in een cel opgesloten. Op een onbewaakt moment wist hij te ontvluchten door aan de achterzijde van het politiebureau over het daar geplaatste hek te klimmen. Al na een paar dagen werd hij weer opgepakt en naar It Petgat gebracht.

Tweede helft van 1943
In de maanden mei tot en met december 1943 gingen er nog een aantal mannen naar een van beide kampen. Op 30 november 1943 vond een transport plaats van vijf man naar De Witte Peal. Onder hen de in mei gevluchte N.B., nu vergezeld van zijn zoon. Op 3 december nog een man naar De Witte Peal. Op 5 december kreeg de politie de tip dat een bepaalde persoon, die werd gezocht voor plaatsing in een werkkamp, thuis was. De politie wilde hem aanvankelijk arresteren, maar omdat de man ’tot op heden geen gegronde aanleiding’ gaf liet men hem lopen. Op 10 december 1943 werd nog een jonge man aangehouden met de bedoeling om hem naar It Petgat te sturen. Zijn oudere broer had in De Witte Pael gezeten. Maar deze jongeman was geboren in 1924 en viel dus onder de jaarklassenregeling. Hij had het voornemen om eerst in Rotterdam te werken en daarna naar Duitsland te gaan. Daarom liet de politie hem ongemoeid.

Van latere transporten is tot nu toe geen spoor gevonden. Maar aangezien de informatie over de werkkampen verspreid is over diverse dossiers van de politie, zouden er nog latere gevallen bekend kunnen worden. Toch is dat twijfelachtig omdat in 1943 de kampen Ommen en Amersfoort in gebruik waren en de vervolging van contractbrekers, werkweigeraars en asocialen veel intensiever plaatsvond.

Over strafkamp Erika in Ommen zal een apart artikel op de website verschijnen. Ongetwijfeld gingen de asocialen toen naar Kamp Amersfoort, waar ze een zwarte driehoek op hun kleding moesten dragen. Ook over dat kamp is een artikel in voorbereiding.
In 2022 verscheen er een boek over de lotgevallen van asocialen tijdens de oorlogsjaren getiteld De Zwarte Driehoek: De geschiedenis van de als ‘asociaal’ vervolgden, 1933-1945. Het boek gaat gepaard met een expositie in het Vrijheidsmuseum in Groesbeek. Dat boek is voor dit artikel (nog) niet gebruikt.

Na de tewerkstelling
Na drie maanden werkkamp mochten de mannen weer naar huis. Alleen wanneer ze zich hadden misdragen konden ze er nog drie maanden bij krijgen. De werkverruiming had de mannen misschien wat extra inkomen opgeleverd, maar aan hun situatie was natuurlijk niets veranderd. Ondertussen was een nieuwe fase van de arbeidsinzet ingegaan en konden de mannen worden opgeroepen voor tewerkstelling. Daarover meer in andere artikelen die op de website zullen verschijnen.

Serie artikelen: Dit artikel maakt deel uit van een serie artikelen op deze website over de arbeidsinzet.