Plaatselijk Bureauhouder (PBH)

Gepubliceerd op

In verband met het uitbreken van de oorlog besloot de Nederlandse regering in september 1939 de controle op de voedselvoorziening te verscherpen. Zo moesten het ontstaan van voedseltekorten en van een zwarte markt zoveel mogelijk worden voorkomen. Het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RbVVO) stelde voor dit doel Provinciale voedselcommissarissen aan; hun werkgebied werd opgedeeld in kleinere regio’s, waarin de Plaatselijk Bureauhouder (PBH) belast was met de praktische uitvoering van het beleid. De PBH hield toezicht op de boeren en tuinders en op de voedselverwerkende industrie. Hij hield zo goed mogelijk bij wat er aan landbouwareaal werd ingezaaid en beplant en wat de opbrengst was. Ook hield hij bij hoeveel vee er bij de boeren rondliep; die moesten dat noteren in een veeboekje. De voedselverwerkende industrie werd gecontroleerd op het correct verwerken en afleveren van de binnengekomen grondstoffen.
De burgerij had in dit opzicht zelden met de PBH te maken, tenzij men ‘zelfvoorziener’ was of een volkstuin onderhield. Toch kreeg de PBH in 1943 een cruciale rol in het hele proces van de verscherpte arbeidsinzet.

LandbouwausweisArbeidsinzet: Ausweise
Het RbVVO én de toezichthoudende Duitse instantie (de Hauptabteilung Ernährung und Landwirtschaft) deden er alles aan om de voedselvoorziening te beschermen tegen de uitzending van arbeidskrachten naar Duitsland door het arbeidsbureau. Zij creëerden de bevoegdheid voor de Bureauhouders om vanaf medio april 1943 Ausweise uitschrijven, die recht gaven op een vrijstelling. Zo’n Ausweis was zeer gewild, maar helaas moest men kunnen aantonen, dat men al vóór 1 januari 1942 in de land- of tuinbouw werkzaam was geweest. Er was dus maar een beperkte mogelijkheid om te sjoemelen. Bovendien moesten deze Ausweise worden bewaard door de werkgever. Met de landbouwausweis kon men vanaf mei 1943 op het arbeidsbureau eenvoudig een andere vrijstelling krijgen voor de arbeidsinzet. Jongemannen uit de jaarklassen 1922 tot en met 1924 kregen als bewijs een andere (bruine) Ausweis, waarmee men bij een straatcontrole kon aantonen dat men was vrijgesteld. De illegaliteit zorgde voor zowel valse landbouwausweise als de bruine Ausweise.

De PBH voor Leiden en omgeving
De PBH voor Leiden en omgeving was vanaf het begin Th. Cocx en vanaf mei 1944 zijn schoonzoon A.N. Mank. Het kantoor was eerst gevestigd aan de Beestenmarkt en daarna aan de 1e Binnenvestgracht; na het bombardement van 11 december 1944 werd het verplaatst naar de Mandemakersteeg 12 boven Peek & Cloppenburg.