Herstelfonds en Schade Enquête Commissie

Gepubliceerd op

Tegemoetkoming voor oorlogsgeweldschade

Binnen twee weken na de capitulatie liet de Opperbevelhebber van de land- en zeemacht (generaal Winkelman, die belast was met het burgerlijk gezag) een onderzoek uitvoeren naar de omvang van de schade die de oorlog had veroorzaakt. Het land moest weer worden opgebouwd. In eerste instantie ging het om verwoeste of beschadigde gebouwen en infrastructuur. Met de opruim- en herstelwerkzaamheden werd snel begonnen.
Schadevergoeding kon alleen worden verstrekt wanneer een afzonderlijke wet (bijvoorbeeld de Inundatiewet) daarin voorzag. Daarom werd gedacht aan de mogelijkheid een tegemoetkoming toe te kennen wegens materiële oorlogsschade.
Allereerst zou de (in de regeling omschreven) oorlogsgeweldschade worden geïnventariseerd door een plaatselijke of regionale Schade Enquête Commissie. In Leiden werd per 1 augustus 1940 een commissie gevormd met de advocaat mr. E. Bolsius als voorzitter en de architect B. Buurman als lid. Het rayon van de commissie omvatte behalve Leiden nog 27 andere gemeenten. De commissie zal ongetwijfeld in het begin veel werk hebben gehad aan het vastleggen van de oorlogsschade in Valkenburg (ZH) en directe omgeving, waar in mei 1940 hevig was gevochten.
Nauwelijks was het onderzoek aangekondigd of er volgde de publicatie van een verordening van de zojuist aangetreden Rijkscommissaris waarin de oprichting van het Herstelfonds bekend werd gemaakt. Daaruit zou de wederopbouw moeten worden bekostigd. Het werd ook wel het Fonds voor de wederopbouw genoemd.

Herstelfonds 1940 (Vo 21/1940)
Het Herstelfonds werd door de Rijkscommissaris in het leven geroepen om de uitgaven voor het herstel van de oorlogsschade te kunnen financieren. De verordening was nogal ruim of zelfs vaag geformuleerd en werd in een toelichting nader uitgelegd. Het ging blijkbaar niet alleen om schade die door de overheid was geleden, maar volgens de toelichting ook om de schade van particulieren. Die konden een tegemoetkoming krijgen voor het herstel van materiële schade (bijvoorbeeld voor verloren gegane inboedel). Ook kleine zelfstandigen kwamen in aanmerking voor bijvoorbeeld het verlies van gereedschappen of bedrijfsinstallaties. Zelfs was er de mogelijkheid om tijdelijk inkomenssteun te krijgen tot men weer aan de slag kon gaan. Het ging niet alleen om materiële, maar ook om geestelijke schade. De Rijkscommissaris benadrukte het “sociale” karakter van deze mogelijkheid.
Het Herstelfonds werd gefinancierd door de Nederlandse belastingbetaler en de Rijkscommissaris deed zich sociaal voor op hun kosten. De verordening bevatte geen uitgeschreven praktische toepassing; die zou pas in december 1940 worden ingevoerd. Ondertussen kon men aanvragen indienen bij de gemeente. Ook. konden de SEC’s aan het werk gaan om de schaden te inventariseren.

Particuliere Fondsen
Zolang er geen definitiever regeling was kon de burger bij acute problemen aankloppen bij diverse bestaande fondsen zoals het Nationaal Fonds voor Bijzondere Noden, de stichting Zuid-Holland 1940 en het Rijnlands Borgstellingsfonds, de kerken, de Leidse Maatschappij van Weldadigheid of de Gemeentelijke Volkscredietbank. Het is nog onbekend in welke mate er een beroep is gedaan op deze organisaties. Vermoedelijk is er nooit onderzoek naar gedaan omdat er nauwelijks bronnen over bewaard zijn gebleven.

Ter uitvoering van het Herstelfonds (Vo 21/40) werd in december 1940 het Besluit op de materiële oorlogsschade van kracht. Deze regeling van het Departement van Financiën omschreef welke schade er voor een tegemoetkoming in aanmerking kwam en dat de tegemoetkoming (“bijdrage”) kon worden aangevraagd bij de SEC.
Artikel 1 noemde schade aan onroerende goederen, roerende goederen voor bedrijf en beroep, huisraad en (bepaalde) schepen van kracht. Bepaalde schaden werden uitgezonderd.

Wat bleef er eigenlijk nog voor uitvoerende taak over voor het Herstelfonds in individuele gevallen? Schade aan persoonlijke bezittingen bijvoorbeeld werd niet genoemd net als schade ten gevolge van oorlogshandelingen, die niet als geweld werden beschouwd, bijvoorbeeld ongevallen veroorzaakt door de Bezetter.
Een half jaartje na de invoering liet de Wehrmacht weten, dat alle schade die door de Wehrmacht werd aangericht niet door de Wehrmacht zou worden vergoed omdat het moest worden beschouwd als oorlogsschade en dus onder de werking van het Herstelfonds viel. De betrokken burgers werden aangemerkt als oorlogsslachtoffer.

De aanvraag moest worden ingediend bij de SEC, dat een onderzoek instelde, en werd behandeld door de Departement van Financiën. Schade tot een bedrag van fl. 50.000 werd volledig vergoed, hogere bedragen voor 90%.

Op de website Leiden4045.nl staan enkele gevallen uit Leiden, waarin een schadevergoeding werd toegekend: Leon van Gelderen kreeg een vergoeding uit het Herstelfonds nadat hij was aangereden door een vrachtauto van de Wehrmacht. De erfgenaam van de Joodse bakkersfamilie Weijl kreeg een vergoeding omdat de bakkerij grote schade had opgelopen. Van de Leidsche Zoutkeet waen enkele handelsgoederen verloren gegaan.

Na de oorlog
Na de Bevrijding kwam er een nieuwe regeling en een nieuwe instantie: het Commissariaat voor Oorlogsschade. De afhandeling van alle aanvragen zou nog vele jaren duren. Naar omvang en de financiële aspecten van oorlogsschade in Leiden en omgeving is nog geen onderzoek gedaan.