Geen vijandige vreemdelingen in de kuststrook (september 1940)

Gepubliceerd op

Met ingang van september gold tussen 22.00 ’s avonds en 4.00 uur ’s ochtends in principe een nachtklok voor iedereen met uitzondering van Rijksduitsers en personen als artsen, brandweerlieden en dergelijke. Het verboden gebied was niet beperkt tot de gemeenten die direct aan de kust grensden, maar omvatte ook de gemeenten daar direct achter.

Maar de verordening zweeg over een andere maatregel, die slechts op een selecte groep was gericht. In een circulaire van de Rijksvreemdelingendienst, gedateerd 4 september 1940, werd de plaatselijke politie opgedragen om bepaalde groepen vreemdelingen, die in de gemeente woonden, op te dragen de kuststrook op korte termijn te verlaten. Dat Noordwijk en Katwijk er onder vielen was duidelijk, maar ook in Leiden, Oegstgeest, Leiderdorp, Rijnsburg, Valkenburg ZH, Voorhout en Zoeterwoude mochten de betrokkenen vanaf 9 september niet meer komen. Ze hadden dus slechts enkele dagen de tijd om een nieuwe verblijfplaats te zoeken.

De eerste categorie betrof mensen met de Engelse (Britse) en Franse nationaliteit die in het land zelf woonden of in de Britse Dominions, de koloniën en de overzeese gebiedsdelen. Aanvankelijk moesten ook Noren vertrekken, maar het verblijfsverbod voor hen werd later ingetrokken, net als voor de Fransen.
De tweede categorie omvatte de De Tsjechen en Polen die na 1 januari 1938 het Duitse Rijk hadden verlaten; de regeling was dus niet bedoeld voor Slowaken.
De derde categorie omvatte alle niet-ariërs van Duitse nationaliteit, die na 1 januari 1933 het Duitse Rijk hadden verlaten.
De vierde categorie omvatte alle Duitsers die na 1 januari 1933 om politieke redenen het Duitse Rijk hadden verlaten.
De maatregel gold ook voor personen die de Duitse nationaliteit ooit hadden bezeten, maar waren verloren. Natuurlijk wist de Nederlandse politie zoals iedereen direct wie er mee werden bedoeld: Duitse Joden die hun land waren ontvlucht en van wie de nationaliteit door de Duitse overheid was ingetrokken.
De vijfde categorie tenslotte betrof degenen die in het Franse vreemdelingenlegioen hadden gediend. Dat zullen er niet veel zijn geweest.

Let wel, de Nederlandse circulaire sprak dus over niet-ariërs, terwijl het begrip ariër bij de Nederlandse overheid  geen enkele (juridische) juridische betekenis had. De ariërverklaring voor personen in overheidsdienst zou pas begin oktober worden geïntroduceerd.

Alle genoemde groepen werden beschouwd als vijanden van het Derde Rijk. Eerder al, op 24 juni, had de Leidse politie een regeringstelegram gekregen waarin de onmiddellijke aanhouding werd bevolen van inwoners met de Engelse en Franse nationaliteit. Frankrijk, Tsjechië en Polen waren deels bezet en met Engeland moest nog worden afgerekend. De volgende dag waren een paar Engelsen en Fransen opgepakt.

De regeling had alleen betrekking op mensen ouder dan 15 jaar. Men zal wel aangenomen hebben dat de jongere kinderen met hun ouders zouden meegaan. Het betekende in ieder geval dat de kinderen tot hun 16e jaar in het joods weeshuis mochten blijven.

Namen waren bekend
De uitvoering en het toezicht werden in handen gelegd van de plaatselijke politie. Ruim 80 inwoners van Leiden kregen een aanzegging om vóór 9 september de gemeente te verlaten. Nu zou je verwachten, dat de Leidse politie in een noodtempo moest achterhalen wie er onder de regeling viel, maar dat was niet het geval. In juni en juli was er al een inventarisatie gemaakt van de aanwezige nationaliteiten, inclusief de statelozen. Dat was waarschijnlijk geen nieuwigheid, maar routine van de Vreemdelingendienst. Onder de ruim 80 personen waren ruim 70 stateloze niet-ariërs. Hoewel de regeling misschien niet primair gericht was tegen de Joden (maar misschien ook wel), was deze bevolkingsgroep wel het grootst. Verder ging het om enkele Fransen, een paar Engelsen, Zuid-Afrikanen, een Tsjechische, een Canadees (die een Nederlander bleek) en – vreemd genoeg – een Zwitser. Een paar van hen kregen na korte tijd verlof om terug te keren.

Of iedereen ook direct aan de opdracht heeft voldaan is niet te achterhalen. Nog in De Leidsche Courant van 31 januari 1941 staan namen vermeld met hun nieuwe adres. Het duurde natuurlijk wel even voordat iedereen een nieuwe woonplaats had gevonden. De niet-ariërs mochten niet verhuizen naar Amsterdam en omgeving. Alleen met toestemming van de plaatselijke politie mocht men in het verboden gebied komen, bijvoorbeeld wanneer het noodzakelijk was een ziekenhuis te bezoeken voor medische behandeling. Eén kind uit het weeshuis, dat net 15 jaar was geworden mocht blijven maar Rudolph Breslauer bijvoorbeeld, die naar Alphen aan de Rijn verhuisde, mocht niet meer naar Leiden komen om naar zijn werk te gaan. Misschien vreesden de betrokkene niet eens zozeer de Nederlandse politie, maar wel de Gestapo, die al in mei 1940 in Nederland aan het werk was gegaan.

De meeste Joodse verdrevenen zouden de Holocaust niet overleven. Ze worden nu herdacht als inwoner van hun laatste woonplaats, maar feitelijk begon voor hen de vervolging in Nederland als inwoner van Leiden. Enkele van hen worden zowel herdacht in hun laatste woonplaats in Nederland als in hun laatste woonplaats in Duitsland. Zoek verder op het trefwoord kuststrook.