Een oorlogspleegkind?

Gepubliceerd op

In het voorjaar van 2020 publiceerden verschillende media een verhaal over de zoektocht van Wolf van den Hoek naar zijn onbekende halfbroer of halfzus. Het kind was in de oorlogsjaren geboren uit het ondergedoken Joodse echtpaar Richard Silberberg en Reizla Goldfarb, maar direct afgestaan en meegenomen door mensen die het echtpaar hielpen tijdens hun leven als onderduikers. Reizla overleefde de oorlog, Richard niet. Reizla trouwde opnieuw en werd de moeder van Wolf. Enkele jaren na het overlijden van zijn moeder begon Wolf een zoektocht naar het kind, tot noch toe zonder resultaat. Maar misschien weten we ondertussen wel wie er destijds betrokken zijn geweest bij deze traumatische gebeurtenis.

Trrouwfoto Richard en Reizla Silberberg-GoldsteinOndergedoken in Leiden
Richard Silberberg en Reizla Goldfarb waren op 15 juli 1942 (dat was de dag waarop de eerste deportatietrein uit Westerbork naar Auschwitz vertrok) getrouwd. Richard (1909) was afkomstig uit Duitsland en Reizla (1914) uit Polen. Ze waren vóór de oorlog naar Nederland gevlucht vanwege de steeds heviger wordende jodenvervolging en woonden in Den Haag. Het zal wel in 1942 zijn geweest, dat ze besloten onder te duiken. Op een of andere manier kwamen zij in Leiden terecht en verbleven er als het niet-Joodse paar Heinz en Johanna in een woning aan de Zoeterwoudsesingel. Heinz werkte als broodbezorger bij een Leidse bakker.

Een kind geboren en verloren
De geboorte van het kind kwam op een uiterst ongelegen moment. Daarom besloot het paar om hun baby af te staan om het op een veilige plek te laten leven. Bij de geboorte en het verdwijnen van het kind waen een Leidse arts en een dominee betrokken. De ouders vluchtten enige tijd later zonder hun baby naar Sint Pancras (NH) waar zij bij een molenaarsechtpaar onderdak vonden. Helaas werden ze in de zomer van 1944 opgepakt. De precieze datum is onbekend, maar op 13 juli 1944 werden Richard en Reizla in Westerbork geregistreerd. Daar zaten ze in de strafbarak. Op 3 september 1944 werden ze naar Auschwitz gedeporteerd. Het was het op twee na laatste transport uit Westerbork en het laatste naar dat vernietigingskamp. In de trein zaten onder andere de zusjes Anne en Margot Frank. Heinz stierf op een onbekende datum in januari 1945 tijdens een “dodenmars” van Auschwitz naar Mauthausen. Reizla overleefde, keerde terug naar Nederland en hertrouwde in 1950. Van haar tweede man kreeg ze twee kinderen.

Het geheim onthuld, maar blijft onduidelijk
In de laatste fase van haar leven maakte zij haar grote geheim bekend aan een van haar kinderen. Ze kon nog wel een paar details vertellen, een geboortedatum of zelfs een geboortejaar wist ze niet meer. Ze wist niet of het een meisje of een jongetje was geweest. Een aantal jaar naar haar dood startte Wolf een onderzoek naar zijn halfbroer- of zus. Eerst probeerde hij uit te vinden voor welke bakker Richard mogelijk had gewerkt, maar dat spoor leverde niets op. Een tweede aanwijzing zou kunnen zijn dat moeder had verteld dat zij en haar man gezien hadden dat het Joods weeshuis aan de Roodenburgerstraat werd ontruimd. Die gebeurtenis vond plaats laat op de avond van 17 maart 1943. Hebben zij vanuit de achterzijde kunnen zien wat er bij het weeshuis gebeurde? Tussen het weeshuis en de Zoeterwoudsesingel lag destijds een sportveld. Dan moet het huis waar ze woonden tussen het Liduinahuis en de kruising van de singel met de Cronesteinkade gelegen zijn geweest. Het kan ook zo zijn, dat ze niet de feitelijke ontruiming hebben gezien, maar activiteiten op straat voor hun huis.

Een dominee en zijn dochter
Een derde aanwijzing vormde de herinnering dat Richard en Reizla in huis woonden bij een alleenstaande vrouw; zij was een dochter van een dominee, die er ook bij betrokken was. Nu is het goed mogelijk een overzicht te maken van alle predikanten die in de oorlogsjaren in Leiden en Oegstgeest stonden, maar geen van hen lijkt aan het minimale profiel te voldoen. Behalve ééntje.
De naam van de Remonstrantse predikant P. Eldering duikt op bij de aanvraag van de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren van het Israëlische instituut Yad Vashem voor de toenmalige rechtenstudente Trijntje Taconis. Trijntje zorgde voor verschillende Joodse onderduikers, onder wie twee Joodse vrouwen, waarbij ds. Eldering haar behulpzaam was. Een van beiden was zelfs een korte tijd bij Eldering in huis.
Dominee Eldering was na zijn emeritaat in 1935 in Leiden komen wonen en trad nog regelmatig op als voorganger in de kerk. Hij was radicaal christen-antimilitarist, ondersteunde het dienstweigeren, en had voor de oorlog openlijk stelling genomen tegen het fascisme en nationaalsocialisme.

Verbanden
Het is interessant te vinden, dat Trijntje Taconis in 1940 woonde op het adres Oude Singel 154. Dat was de woning van de familie Christiaanse, die een tijd lang joodse onderduikers in huis heeft gehad. Van Christiaanse loopt en een lijn naar het pand Oude Singel 148, waar óók Joodse onderduikers hebben verbleven bij Antje Holthuis en Mien Lubbe. In 2019 kreeg Selma Velleman (onder de naam van haar latere echtgenoot Van der Perre) landelijke aandacht toen zij in een uitzending van DWDD over haar leven tijdens de oorlog vertelde. Selma verbleef enige tijd bij Holthuis en Lubbe. Haar boek werd een bestseller. Holthuis en Lubbe hadden contact met de Leidse zenuwarts Wim Storm, van wie bekend is dat hij ondergedoken vrouwen bij hun bevalling heeft geholpen. Storm was redacteur en een van de leidende figuren van het illegale linkse blad De Vonk. Opmerkelijk genoeg heeft een andere redacteur van dat blad Jef Last een tijdje bij Eldering ondergedoken gezeten.

Eldering had vier dochters en drie zoons. Petra (1909) was de oudste. Zij woonde in Amsterdam en was gehuwd met de communistische medicus en CPN-politicus Benjamin Sally Polak. ‘Hun woning in de Rivierenbuurt … was een centrum van verzetsactiviteiten.’ In hun levensbeschrijvingen wordt nergens expliciet gerept over hulp aan ondergedoken joden, zodat het niet zeker is of dominee Eldering voor zijn activiteiten hulp heeft gehad van Petra. Misschien dat Trijntje Taconis door Rezla Goldfarb werd aangezien als zijn dochter. Er was in 1943 wel een groot leeftijdsverschil tussen Trijntje, die in dat jaar 25 jaar oud werd en Eldering, die in dat jaar de leeftijd van 75 jaar bereikte. Dat is meer grootvader en kleindochter. Maar Eldering, die pas trouwde toen hij 39 jaar oud was, had inderdaad dochters in ongeveer dezelfde leeftijd. Eén van hen was in 1939 gehuwd. Hij had ook nog twee jongere dochters, een tweeling, geboren in 1920. Eén van hen verloofde zich in 1942, maar of zij ook snel daarna trouwde is nog niet bekend. Dan zou het de andere helft van de tweeling moeten zijn geweest.

Zo lijkt het verband tussen de panden Oude Singel 148 en 154 te zijn uitgebreid met een pand aan de Zoeterwoudsesingel waarvan we het huisnummer niet weten. Ook loopt er een lijntje naar dominee Eldering en misschien naar zijn dochter Petra in Amsterdam. Op de zoektocht van Wolf van den Hoek naar zijn halfbroer of halfzus heeft dit verband vooralsnog (medio mei 2021) geen effect. Er is geen hard bewijs dat dominee Eldering of de arts Wim Storm iets met deze zaak te maken hebben gehad. Er is alleen een sterk vermoeden. Maar wie weet komt er toch nog eens een nieuwe aanwijzing over een geadopteerde baby.

Oorlogspleegkinderen
Het is overigens nog maar de vraag of de nieuwe ouders van het kind hun geheim van deze illegale adoptie ooit aan iemand hebben verteld. Na de oorlog was men weliswaar verplicht illegaal opgenomen kinderen aan te melden bij de Stichting Oorlogspleegkinderen (OPK), maar niet iedereen heeft zich daar aan gehouden. Voorzitter van de Stichting was de gereformeerde juriste Gezina van de Molen, die een van de oprichters en redacteuren was geweest van het illegale blad Trouw en zich al tijdens de bezetting had ingespannen voor het laten onderduiken van Joodse kinderen. Als voorzitter van OPK huldigde zij de opvatting, dat de ondergedoken joodse kinderen beter bij hun pleegouders konden blijven dan opnieuw te worden overgedragen aan hun ouders of aan verdere verwanten. Dat had meestal als consequentie dat de kinderen van Joodse ouders een christelijke opvoeding kregen en geen joodse. De spanningen binnen OPK tussen Van der Molen en de Joodse leden zijn hoog opgelopen. Bij de ontbinding van OPK in augustus 1949 waren 601 kinderen toegewezen aan Joodse ouders of voogden; 403 kinderen toegewezen aan niet-Joodse pleegouders; over 359 kinderen was nog geen beslissing genomen.

Harde behandeling van teruggekeerde Joden
Veel Joodse ouders die de oorlog hadden overleefd werden geconfronteerd met de strijd over het terugkrijgen van het ouderlijk gezag over hun eigen kind(eren). Veel van hen moesten ook al alles uit de kast halen om ook hun onteigende woning, bedrijf en andere geroofde bezittingen terug te krijgen. Het feit dat ze geen woning hadden kan meegespeeld hebben om hen het gezag over hun kinderen te weigeren. De opvang van teruggekeerde Joden was vaak harteloos, bureaucratisch en kil. In een aantal gevallen gewoonweg antisemitisch.

De zoektocht gaat voort. Daarover hopelijk een andere keer.

Afbeelding: deel van de trouwfoto, collectie Joods Historisch Museum.

Over oorlogspleegkinderen: ‘oorlogspleegkinderen’, hoofdstuk 19 in: Martin Bossenbroek, De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2001).