Kat in het nauw?

Gepubliceerd op

Door Arnold Schalks

Vuurwerkfabriek Kat LeidenDe in 1826 opgerichte Leidse vuurwerkerij A.J. Kat (voorheen Johan Loeff) genoot voor de oorlog landelijke bekendheid als fabrikant van siervuurwerk. Voorts produceerde Kat munitie, seinmiddelen en anti-brandbommen voor de Nederlandse krijgsmacht.

Op 28 augustus 1939, kort na de mobilisatie, wordt de fabriek van Kat op last van de artillerie-inrichting Hembrug ingeschakeld voor het vervaardigen van seinpatronen en lichtkogels. Hieraan komt op 14 mei 1940, na de inval van het Duitse leger, een abrupt einde. Om de terugval in de omzet te compenseren zoekt directeur Kat in de loop van 1941 zakelijk contact met de Duitse Rüstungsinspektion

Vanaf juni 1941 is de Wehrmacht één van Kat’s klanten. De bezetter geeft het bedrijf opdracht tot het verwijderen van de explosieve lading (delaboreren) uit patronen van pistool- en karabijnkaliber die in bezette gebieden in beslag zijn genomen. Het vrijgekomen koper is bestemd voor de Duitse oorlogsindustrie. 

Kat verwerkt in totaal het – volgens hem – geringe aantal van zesentwintig wagonladingen munitie. ‘Als ik mijn best had gedaan hadden het er met gemak tien keer zoveel kunnen zijn,’ verdedigt Kat zich bij het eerste aandachtspunt in het onderzoek dat de Politieke Recherche Afdeling Collaboratie Leiden (PRAC) na de oorlog naar hem instelt. 

De tweede zaak waarop het PRAC- onderzoek zich richt is de aan de Wehrmacht geleverde partijen storm- of windlucifers. Zij zijn bestemd voor het ontsteken van auto-generatorgas en worden verwerkt in Panzerfausten en Molotov-cocktails. Het afstrijkmateriaal van de luciferkoppen bestaat uit een mengsel van dextrine en componenten waarvan, zo suggereert het rechercherapport, A.J. Kat als enige Nederlandse fabriek de samenstelling en mengverhouding zou kennen. Kat wordt verweten dat hij de opdracht had kunnen weigeren door te liegen dat hij niet over de benodigde expertise beschikte om het mengsel te maken en daarmee een kans liet liggen om de Duitse oorlogsproductie te schaden. Vuurwerker Jan De Horn ontkracht de theorie van het in het rapport veronderstelde geheime recept en verklaart: 

‘In 1941 heb ik op last van mijn patroon de heer Kat een partij zogenaamde windlucifers moeten maken. Het mengsel waarin deze lucifers gedoopt moesten worden had ik zelf gemaakt. Dit was absoluut geen fabrieksgeheim van de firma Kat, daar iedere vuurwerkmenger dit mengsel kan maken. Voor welk doel deze lucifers gebruikt moesten worden wist ik niet.’

Kat neemt zijn personeel kennelijk in bescherming en beweert desgevraagd, dat hij bedrijfsinformatie over klanten, over de bestemming en de toepassing van de geleverde waar niet met zijn personeel deelt. Het motto ‘Wat niet weet, dat niet deert’ moet ook zijn werknemers goed zijn uitgekomen. Vervolgens bevestigt Kat de fabricage en levering van de wind-lucifers aan de vijand, maar zwakt het strategisch belang van die leverantie af met de mededeling dat hij aan het door De Horn aangemaakte mengsel stiekem zout had toegevoegd, wat de gebruiksduur van de lucifers tot hoogstens een paar weken bekortte.

Op 20 december 1944 ontvangt Kat van de technische Oberinspektor Schramm een order voor het op zeer korte termijn leveren van 100.000 vuurpijlen voor de hoge prijs van fl 2,35 per stuk. De Wehrmacht levert een deel van de grondstoffen: 200 kilo zwavel en 100 liter alcohol van 98%. Kat produceert en levert een proefzending. Hij weet echter, dat de voor de partij benodigde pijlhulzen minimaal 3 maanden droogtijd vereisen. De inderhaast geproduceerde proefpijlen hebben onvoldoende stijgkracht en worden afgekeurd. Zonder van sabotage te kunnen worden beschuldigd weet Kat de order te doen stranden. De Oberinspektor gelast de productie voorlopig op te schorten, een opdracht die op 25 december 1944 schriftelijk wordt bevestigd. De geleverde chemicaliën moeten ter beschikking van de Wehrmacht blijven. 

Het derde aandachtspunt in het PRAC-onderzoek betreft de vraag of Kat na de capitulatie nalatig is geweest bij de overdracht van die bovengenoemde, als oorlogsbuit gekwalificeerde chemicaliën aan het militair gezag. Kat verklaart, dat hij de grondstoffen weliswaar door Duitse bemiddeling heeft verkregen, maar dat hij die uit eigen middelen heeft betaald, ze als bedrijfseigendom beschouwt en ze dus niet als oorlogsbuit aan het militair gezag heeft opgegeven.

De indruk van Kat’s goeder trouw wordt ondersteund door de verklaring van Apolite François (Frans) Wickel, van beroep instrumentmaker. Hij en zijn vrouw Lena maakten deel uit van de Nederlandse Verzetsorganisatie (NVO) van Lex Bernard. Wickel verklaart: 

‘In 1944 heb ik contact gezocht met de heer Kat, teneinde munitie voor het ondergrondsche werk te krijgen. De heer Kat was, nadat hij voldoende inlichtingen over mij had ingewonnen, direct bereid mij het gevraagde te verschaffen. Daarna heb ik nog vele malen patronen en handgranaten bij de heer Kat weggehaald. Nooit heb ik hiervoor iets behoeven te geven. De heer Kat verleende zijn medewerking altijd geheel belangeloos.’

Mogelijk heeft Kat de contacten met de illegaliteit, na de op 17 maart 1944 gepleegde en deels geslaagde poging tot brandstichting in zijn fabriek door leden van de Raad van Verzet (RvV), bewust aangehaald, omdat hij besefte dat hij zich na de oorlog voor zijn dienstverlening aan de vijand zou moeten verantwoorden.

N. van Dantzig, als ambtenaar van politie werkzaam voor de Procureur Fiscaal (PF) te ‘s-Gravenhage sluit dossier 2157/48 betreffende de verdachte: ABRAHAM JACOBUS KAT, geboren te Leiden 15 december 1882, van beroep vuurwerkfabrikant, wonende te Leiden, Hogewoerd 83, af met de alinea:

‘De omzet van 1940-1945 bedraagt voor wat betreft de Duitse leveranties fl. 76.790,55 terwijl de totale omzet in dit tijdvak fl. 367.304,55 bedraagt. Preventieve maatregelen werden niet genomen.’

Het is mij niet bekend tot welke strafrechtelijke gevolgen het PRAC-onderzoek en het PF-dossier voor de verdachte en zijn bedrijf heeft geleid.

(Bron: CABR 90737 / PRAC Leiden dossier 40165 & CABR 110570 / PF Den Haag dossier 2157/48).