Joodse vluchtelingen in Leiden

De machtsovername door de nazi’s in februari 1933, na de brandstichting in de Rijksdag, ging gepaard met een golf van bruut geweld tegen politieke tegenstanders en Joden . Terwijl het geweld bleef voortduren en door de overheid werd getolereerd (of zelfs gestimuleerd) werden er tal van politieke en anti-Joodse maatregelen afgekondigd. Het had tot gevolg, dat menigeen besloot Duitsland te verlaten. Aan de Nederlandse grens verschenen vluchtelingen, die naar Nederland wilden komen, eventueel om door te reizen naar een andere bestemming, bijvoorbeeld Engeland, de Verenigde Staten of Zuid-Amerika. Onder hen waren veel Joden, maar de Nederlandse regering weigerde de opvang van Joodse vluchtelingen voor haar rekening te laten komen. Particulier initiatief moest uitkomst bieden.
Om deze, veelal berooide, vluchtelingen te helpen, richtte prof. David Cohen in maart in Amsterdam het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen (CBJB) op. Voor Cohen was dit een logisch vervolg van zijn eerdere hulpactiviteiten voor migrerende Joden. Cohen betrok de Amsterdamse diamantair Abraham Asscher bij het werk. Samen zouden ze in de oorlogsjaren de leiders worden van de Joodse Raad. Het belangrijkste onderdeel van het CBJV, speciaal voor joodse vluchtelingen, werd het Comité voor Joodsche Vluchtelingen (CJV), dat in april werd opgericht. De voornaamste taak van het CJV was om de praktische opvang van joodse vluchtelingen te regelen.
Het CBJB zocht en kreeg steunpunten in veel plaatsen met een Joodse gemeenschap. Zo kwam er ook een zes personen tellend comité in Leiden. Voorzitter was de winkelier Ernst Loeb, die ook voorzitter was van de Joodse gemeente. Secretaris was Viktor Bloemkoper, in het dagelijks leven leraar in dienst van de Joodse gemeente en voorzanger in de synagoge.
Op 6 juli 1933 publiceerden het Leidsch Dagblad, De Leidsche Courant en de Nieuwe Leidsche Courant een ‘brief aan de Leidse bevolking’ van het comité. Daarin werd kort uiteengezet wat de aanleiding voor de oprichting was en werd tevens een collecte aangekondigd op 12 juli, die fl. 544,99 opbracht.
Blijkbaar was er in juli 1933 ook nog een comité van aanbeveling, waarin naast prof L. van Itallie (hoogleraar farmacologie/toxicologie) vijf niet-Joden zaten. Op die manier hoopte men waarschijnlijk ook belangstelling te wekken buiten de Joodse kring.
Over het functioneren van het CBJB en het CJV is tot november 1938 weinig bekend. Feitelijk handelde het bestuur van de joodse gemeente (het kerkbestuur) de zaken in stilte af. Volgens Biezen [zie literatuurlijst] zijn er tussen 1933 en 1940 ongeveer 260 vluchtelingen in Leiden opgevangen. Ook werden er kinderen geplaatst in het Joods weeshuis. Veel vluchtelingen reisden door, anderen bleven langere tijd in Leiden wonen en werden, voor zover ze niet voor zichzelf konden zorgen, ondersteund door de Joodse gemeente of door Joodse particulieren. Voor zover valt na te gaan waren de niet-Joodse burgers daar nauwelijks bij betrokken. Toch stonden de Leidse Joden stonden niet geïsoleerd in de plaatselijke samenleving. De zorgen over de Joodse zaak en het antisemitisme waren geen exclusief joodse aangelegenheid en werden door niet-Joden gedeeld. In 1936 vond er een anti-Joods incident plaats, toen NSB’ers een pot witkalk door de winkelruit van Levy Katz in de Haarlemmerstraat gooiden. De winkel was al eerder het doelwit geweest. Katz was uit Berlijn gevlucht en had met steun een zaak in horloges en uurwerken kunnen openen. Voor hem werd een steunactie op touw gezet, onder meer met het lid van de Leidse gemeenteraad voor de Antirevolutionairen, dr. C. Beekenkamp. Hij zou zijn steun aan vervolgde Joden ook tijdens de oorlog voortzetten.
In politiek opzicht was 1938 het jaar waarin de agressie van Nazi-Duitsland op internationaal terrein toesloeg. Oostenrijk werd met de Anschluss op 13 maart ingelijfd. Na het verdrag van München op 30 september werd kort daarop het Sudetenland van Tjecho-Slowakije bezet (4 oktober). Daarna was de binnenlandse politiek, de jodenvervolging, weer aan de beurt. In de Kristallnacht in Duitsland, de nacht van 9 op 10 november 1938 werden Joodse winkels en huizen geplunderd en synagogen in brand gestoken.
De Kristallnacht vormde de aanleiding tot een nieuwe stroom vluchtelingen naar Nederland. De Nederlandse regering bestendigde echter haar beleid van een zeer restrictieve toelating. Het Leidse CBJV zocht nu ook weer de publieke aandacht door advertenties in de krant te zetten met het banknummer voor giften. De gewelddadige en brute behandeling van de Joden en hun eigendommen werden in de dagbladen uitvoerig beschreven en veroorzaakte landelijk veel commotie. De beroering over de onthutsende gebeurtenissen in Duitsland en de behandeling van de vluchtelingen reikte verder dan alleen Joodse kringen. Dat blijkt uit verschillende acties afkomstig uit de Leidse elite. Zo verscheen op 16 november een manifest in de Nieuwe Leidsche Courant met als aanhef ‘Aan de burgerij van Leiden en Oegstgeest’. Het was opgesteld door een ad hoc-comité van zeven personen, allen niet-Joods. Voorzitter was Mies Juynboll-van Ysselsteyn, de echtgenote van een lector aan de universiteit, die maatschappelijk zeer geïntersseerd was. Enige maanden later werd ze voorzitter van de zopas opgerichte Vrijwillige Vrouwelijke Hulp. Vier van hen, onder wie Juynboll, zullen we later nog in de oorlog tegenkomen bij illegaal werk. (C. Smits-de Wit, H. van Traa-van der Burg en J. Themann).
Het comité vroeg de burgerij rechtstreeks om zich beschikbaar te stellen voor de opvang van joodse vluchtelingen. Deze adressen zouden dan zo spoedig mogelijk worden doorgegeven aan het CBJB in Amsterdam. Een dag later werd het manifest ook afgedrukt in het Leidsch Dagblad en De Leidsche Courant, maar daar was bijgevoegd een adres (oproep) gericht aan het gemeentebestuur om gebouwen ter beschikking te stellen als opvanggelegenheid. Het adres werd afgesloten met een vraag om spoedig antwoord. Dat kwam kennelijk per omgaande, want reeds de volgende dag kwam er een reactie van het gemeentebestuur. Dat wilde echter pas gaan inventariseren, wanneer bekend was welke behoefte er aan bestond. Er werd dus niet onmiddelijk een opvangmogelijkheid gecreëerd en dat zou, voor zover valt na te gaan, ook niet meer gebeuren. De oproep van het actiecomite vond onder de burgerij zeker weerkank. Mw. Juynboll liet namelijk op de 28e al via de dagbladen weten, dat er ongeveer 275 adressen aan het CBJB in Amsterdam waren doorgeven.
In de dagbladen van 19 november worden nog twee andere acties vermeld. Het Leidse CJV zond een adres (oproep) aan de regering evenals een comité van theologiestudenten. Opmerkelijk is verder ook nog het bericht van 25 november over een telegram aan de regering, ondertekend door 63 echtgenoten van Leidse hoogleraren en lectoren. Daarin werd de regering opgeroepen zoveel mogelijk Joodse vluchtelingen op te nemen. Hoogstwaarschijnlijk vonden de hoogleraren, dat zij, als rijksambtenaar, dat niet zef konden doen, maar het signaal was zo ook wel duidelijk. Dit waren weliswaar sympathieke initiatieven, maar hoe ging het met de meer praktische kanten?
Hoewel er dus in principe eind november al 275 (of zelfs meer) adressen beschikbaar waren, werd dat kennelijk nog niet voldoende geacht. Begin december verscheen er opeens een Comité van actie tot bespoediging der toelating van Duitse vluchtelingen. De formulering was iets ruimer, zodat er wellicht ook rekening werd gehouden met niet-Joodse vluchtelingen. Er kwamen immers ook niet-Joodse politieke vervolgden van de nazi’s over de grens. Daaronder waren mensen uit de linkse politieke hoek, maar de vervolging in Duitsland begon steeds verder om zich heen te grijpen. Niemand was er meer veilig.
Het bestuur van dat actiecomité was ook iets anders van karakter. Van de groep van zeven vrouwen was alleen Janette Themann nog over, zij was secretaris. Voorzitter was J. Faber, die ook voorzitter was van Eenheid door Democratie. Hij stond begin 1939 op de kieslijst voor de gemeenteraadsverkiezingen voor de Vrijzinnig Democratische Bond. Penningmeester was de gemeenteambtenaar H. van Heusden, die ook secretaris was van de Leidse vereniging van Hervormden (voorzitter: H. Schilp). Het Actiecomité belegde op 9 december een avond in de Stadsgehoorzaal met zeven sprekers die plaatselijk of zelfs landelijke bekendheid genoten. Klaarblijkelijk had het comité geprobeerd alle gezindten aan bod te laten komen. Na een kort welkomstwoord door J.G. Weisz werd de aftrap gegeven door het liberale oud-kamerlid F.W.Drion. Hij werd gevolgd door de voorzitster van de rooms-katholieke Vrouwenbond, mw. J. Manders-Vermeulen, het liberale kamerlid G.N. Boon, mw. W. Ros-Vrijman van Eenheid door Democratie, D.A. van Eck, voorzitter van de Leidse SDAP en de gereformeerd predikant R. Bakker. Tot slot sprak de in anti-NSB-kringen welbekende hoofdredacteur van Het Utrechts Nieuwsblad G.J. van Heuven Goedhart. Om naar deze, toch niet de geringste, sprekers te luisteren, waren 300-400 toehoorders gekomen, waardoor de Stadsgehoorzaal maar halfvol was. Zoals uit het verslag in de dagbladen valt op te maken, lag het accent deels op de landelijke politiek, deels op de gevoelsmatige en deels op de christelijke aspecten van de opvang van vluchtelingen.
Volgens het kasboek van de Joodse gemeente ontving het kerkbestuur in deze paar weken meer dan fl 1000 aan giften, maar daarna zakte de gulheid ook meteen weer in. Of de bereidheid om Joodse vluchtelingen te huisvesten daadwerkelijk veel gevolg heeft gekregen valt te betwijfelen. Incidenteel is er wel iets over bekend. Zo kwamen er in ieder geval vier kinderen naar Leiden, die met een kindertransport uit Duitsland waren aangekomen. (broers Eichberg, zussen Herskovits).
Eind december 1938 werd een groot liefdadigheidsconcert aangekondigd voor de om hun ras en geloof vervolgde Joden, dat verzorgd zou worden door vier zangkoren en waarop de bekende harpiste Rosa Spier zou optreden. De organisatie was in handen van het koor De Vereenigde Zangers. Er was een indrukwekkend comité van aanbeveling met de namen van een groot aantal notabelen. De avond van 5 januari 1939 werd echter een grote teleurstelling, omdat het publiek het liet afweten. De Kristallnacht maakte in Leiden (en in heel Nederland) heftige emoties los, maar die werden al snel weer ingehaald door de alsmaar verslechterende politieke situatie.
Toch heeft de vooroorlogse jodenvervolging in Duitsland en de komst van de vluchtelingen bij een aantal mensen een blijvende belangstelling voor de jodenvervolging gewekt, die in de oorlogsjaren zou aanzetten tot daadwerkelijke hulpverlening. Verschillende van de in dit artikel genoemde personen zien we een paar jaar later terug, tijdens de Bezetting, wanneer het gaat om hulp aan ondergedoken Joden of bij de illegale pers.
Over de vooroorlogse hulp aan Joodse vluchtelingen scheven Kasteleyn en Biezen [zie literatuurlijst], maar het aspect van de overwegend niet-Joodse steun komt daarin nauwelijks aan de orde.

Go to Locatie

Locatie

900+ locaties

Go to verhaal

verhaal

950+ verhalen

Go to Tijdlijn

Tijdlijn

400+ datums

Go to trefwoord

trefwoord

375+ trefwoorden