Spoorwegstaking NS en NZHTM

Op 17 september 1944 begon een geallieerd offensief met de bedoeling het Nederlandse rivierengebied in handen te krijgen om daarna snel Duitsland te kunnen binnendringen. Tijdens en na deze operatie met de naam Market Garden werden de provincies Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en Gelderland geheel of gedeeltelijk bevrijd, maar het lukte niet om de brug over de Nederrijn bij Arnhem in handen te krijgen. Eind oktober kwam er een einde aan de gevechten. Nederland feitelijk in tweeën gedeeld.
Op diezelfde 17e september gaf de Nederlandse regering in Londen het personeel van de Nederlandse Spoorwegen (NS) opdracht het werk neer te leggen. De spoorwegstaking was een feit. De regering hoopte hiermee een bijdrage te leveren aan de spoedige nederlaag van de bezetter doordat het vervoer van Duitse militairen en materieel werd bemoeilijkt en het liefst onmogelijk werd gemaakt. Dat bleek niet het geval. De Duitsers zetten eigen personeel in voor de eigen transporten. Alleen het binnenlandse personen- en goederenvervoer kwam stil te liggen. De regering bleef op het standpunt staan, dat de spoorwegstaking moest worden voortgezet vanwege de grote publicitaire waarde van deze vorm van openlijk verzet. Zelfs toen bleek, dat de aanvoer van levensmiddelen naar het westen van het land nagenoeg onmogelijk werd (mede waardoor de Hongerwinter zo ernstig kon worden), mocht de NS het werk niet hervatten.

Een week na het begin van de staking ging, tot ieders verrassing, ook een deel van het personeel van de  ‘blauwe tram’ (NZHTM) in staking. Dat was niet de bedoeling geweest, maar het resultaat van een spontaan initiatief van een Leidse illegale werker, Lex Bernard. Die staking bleef dan ook beperkt tot het personeel dat in Leiden en omgeving woonachtig was. Jaren na de oorlog verklaarde Bernard, dat de tramstaking nodig was geweest, omdat de NZHTM dagelijks vele arbeiders naar hun werk aan de kustverdediging bracht, wat inderdaad het geval is geweest. Op die manier zou de uitbreiding en verbetering van de Atlantikwall verhinderd of op zijn minst bemoeilijkt worden.

Het stakende spoor- en trampersoneel voegde zich bij het grote leger onderduikers, maar dat van de NS vormde een geprivilegieerde groep. Aangezien zij op bevel waren ondergedoken, was de doorbetaling van hun loon door de NS (en door de Nederlandse regering in Londen) gegarandeerd. Daarvoor werd een beroep gedaan op twee grote, landelijk werkende, illegale organisaties, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan onderduikers (LO) en het Nationaal Steunfonds (NSF). Maar voor het trampersoneel daarentegen bleek niets geregeld te zijn omdat het een spontane, wilde staking was.  Het NSF nam ook de uitbetaling van de lonen van het trampersoneel voor zijn rekening. De tramstaking leidde tot een verwijdering tussen LO en NSF enerzijds en Lex Bernard anderzijds, wat er toe leidde, dat Bernard een eigen illegale opzette, de Nederlandse Verzetsorganisatie (NVO).

Plaatselijk kwamen comités in actie om de uitbetaling van de lonen te regelen en de spoorwegstakers zo nodig te voorzien van distributiepapieren, onderduikadressen of valse papieren. In Leiden was al zo’n comité gevormd, dat een korte tijd gebruik kon maken van een eerder aangelegde stakingskas, maar die was snel leeg. Dat was niet het enige probleem, want met de tramstakers kwamen er in één klap ongeveer 275 kostwinners bij, voor wie niets was geregeld (het aantal Leidse spoorwegstakers is niet met zekerheid te zeggen). Het landelijke NSF had inmiddels van de regering een financiële garantie gekregen, zette een systeem op om de spoorwegstakers van hun loon te voorzien en nam de zorg voor de tramstakers er noodgedwongen bij. Grote bedragen, regelmatig van enkele honderdduizenden guldens, werden naar bepaalde adressen gebracht en enkele tientallen uitbetalers brachten het loon bij de stakers thuis. Een grote rol hierbij speelde de falsificatiecentrale van het Leidse NSF, de Arbeidscentrale, die gevestigd was in de Leidse schouwburg aan de Oude Vest. Vermoedelijk  was de wagenvoerder van de NZHTM Andries Hollinga de algehele stakingsleider. De staking van het NZHTM-personeel was lastiger, omdat de NZHTM officieel niet in staking was en de trams doorreden totdat een gebrek aan elektriciteit dat onmogelijk maakte. Verschillende stakers voelden zich genoodzaakt onder te duiken. De dienstwoning van de stationschef J. Idsinga werd geplunderd.

Het personeel van de NS ging op 8 mei 1945 weer aan de slag. Ook de NZHTM hervatte het werk, maar voordat de trams weer reden, moesten er eerst de nodige reparaties worden verricht. Het personeel van de NS en de NZHTM waren met de steun van het NSF zeer verguld en toonden enkele malen hun dankbaarheid voor deze hulp.

De geprivilegieerde behandeling van de spoorwegstakers viel niet bij iedereen in goede aarde. Immers, de NS hadden tijdens de oorlog ook zonder morren voor de Bezetter gewerkt en onder meer de transporten uit Westerbork geregeld. De stap om onder te duiken was geen daad van verzet geweest, maar het gevolg van een dienstbevel en de NS-vertegenwoordigers hadden goede stakingsvoorwaarden weten te bedingen, waar de doorsnee onderduiker alleen maar van had kunnen dromen. Bovendien kregen alle spoorwegstakers na de oorlog nog een dankbetuiging en een fraaie penning of een draagmedaille, terwijl de doorsnee verzetslieden het zonder dergelijke eretekenen moesten stellen. Andere onderduikers keken vaak terug op een moeilijke tijd voor hun gezin, hoewel de Leidse LO en het Leidse NSF zich voor deze groep ook bijzonder hadden ingespannen.

Go to Locatie

Locatie

900+ locaties

Go to verhaal

verhaal

950+ verhalen

Go to Tijdlijn

Tijdlijn

400+ datums

Go to trefwoord

trefwoord

375+ trefwoorden