Boek over de moord op ir. Felix Guljé van de Hollandsche Constructiewerkplaatsen

Gepubliceerd op

Transportbrug t&DIr. Felix Guljé, directeur van de Hollandsche Contructiewerkplaatsen (HCW) werd op 1 maart 1946 in de deuropening van zijn woning neergeschoten. Hij overleed nog diezelfde avond in het ziekenhuis.
De HCW maakte grote metaalconstructies zoals bruggen, olieinstallaties en dergelijke. Op de foto is een verbindingsbrug te zien die twee panden van de conservenfabriek Tieleman&Dros met elkaar verbond. Het bedrijf was met de dochteronderneming de Nederlandsche Electrolasch Maatschappij (NEM) in 1940 een van de grootste werkgevers in Leiden en omgeving. Guljé was na de oorlog twee maanden geïnterneerd geweest op verdenking van economische collaboratie met de vijand. Zijn mededirecteur ir. J.E. Colin zou in totaal 13 maanden geïnterneerd blijven. Toen werden de aanklachten tegen Colin en de (overleden) Guljé geseponeerd.

De dader werd nooit gepakt en de zaak werd een cold case. Tegen de eeuwwisseling vroeg Eugène Guljé (1925) onder andere aan leden van de Tweede Kamer aandacht voor de nooit opgeloste moord op zijn vader. Resultaat bleef uit totdat, als een donderslag bij heldere hemel, in 2011 de toen hoogbejaarde Atie Visser (1914) bekende, dat zij het dodelijk schot had gelost. Zij deed dat in een brief aan de burgemeester van Leiden. Daarmee was eindelijk duidelijk wie voor de moord verantwoordelijk was, maar haar motief bleef vaag. De publiciteit was enorm, maar ook weer snel voorbij.
Atie Visser was in de oorlogsjaren lid geweest van een knokploeg onder leiding van Marinus Post, die net als zijn bekendere broer Johannes, overvallen pleegde ten behoeve van de illegaliteit, hoofdzakelijk de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers, de LO. Na de dood van Marinus in 1944 bleef de groep voortbestaan. Na de Bevrijding was Atie enige tijd medewerkster van de Politiek Opsporingsdienst, later de Politieke Recherche.

De bestuurskundige Frits van Oosten ging op onderzoek uit, raadpleegde diverse archieven en kreeg inzage in het familiearchief. Daaruit ontstond het boekje De oorlog was nog niet voorbij. Het ontspoorde verzet en de moord op Felix Guljé.  Het boekje begint met een biografische schets van ir. Felix Guljé, geboren in 1893. In 1940 was hij een vermogend man met een fraaie villa en een dure auto. Na de hachelijke crisisjaren was de markt flink aangetrokken en maakten de HCW en het dochterbedrijf de NEM weer een goede winst.
Behalve fabrikant was Guljé ook een Belangrijke Nederlander onder meer als voorzitter van de Algemeene Katholieke Werkgeversvereeniging. Guljé wordt getypeerd als een ‘vooruitstrevend’ voorzitter. Zijn netwerk zou na de oorlog nog van pas komen.

Duitse orders: collaboratie?
Harde cijfers uit de boekhouding laten zien, dat het bedrijf in de eerste helft van de bezettingsjaren een enorme omzetstijging beleefde hoofdzakelijk door Duitse opdrachten. In 1941 worden er nog nieuwe aandelen uitgegeven. Ook dochterbedrijf NEM draaide uitstekend en vervaardigde veel gasgeneratoren, hoofdzakelijk voor de Wehrmacht. Was Guljé dan een economisch collaborateur? Het antwoord op die vraag is cruciaal, omdat de verdenking van collaboratie hem in 1946 het leven heeft gekost. De auteur vat kort samen welke overwegingen er bij de beantwoording van die vraag een rol speelden.
De auteur zal niet voorzien hebben dat deze kwestie bij het verschijnen van het boek in april 2022 opeens mondiale dimensies zou hebben. Wat te doen wanneer je opdrachten krijgt van een gewelddadige opdrachtgever of zakenpartner; welke consequenties zal dat hebben voor je bedrijf en de werknemers? De Bezetter gaf niet alleen opdrachten, maar zorgde ook voor de beschikbaarheid van de benodigde grondstoffen en niet te vergeten de steenkool om de stoommachines in gang te houden. Afhankelijkheid van grondstoffen en energie, waar kennen we dat van?

Bij de (ogenschijnlijke) bereidheid van de directie om voor de Bezetter te werken plaatst de auteur wat kanttekeningen. Heel terecht wijdt de auteur een paragraaf aan de geloofwaardigheid van de verdediging van Guljé. In ongeveer 40 verhoren die na de oorlog door de Politieke Recherche zijn afgenomen wordt meermalen verklaard, dat de directie onwillig was, maar dat de bedrijfsleider feitelijk het bedrijf in Duits vaarwater hield. Deze man, Vollmar, wordt in diverse getuigenverklaringen afgeschilderd als een zeer gevaarlijke Rijksduitser, die altijd klaarstond om de Duitse opdrachtgevers ter wille te zijn.
In verschillende verklaringen van het personeel wordt gesproken over “verzetsactiviteiten” als sabotage en het verdonkeremanen van materialen. Maar of die verhalen kloppen of de directie daarvan in de oorlogsjaren op de hoogte was, komen we niet te weten. Het maakt nogal wat uit of het “verzet” plaatsvond in 1942 op het hoogtepunt van de productie, of in 1945 toen de oorlog al bijna voorbij was. Ook was er sprake van een zwarte kas, waarmee onduidelijke aankopen werden gefinancierd. Guljé wilde alleen aan de Belastingdienst en niet aan de Politiek Recherche vertellen waar die zwarte kas precies voor gediend had.

Hoor en wederhoor?
In de naoorlogse verklaringen is Vollmar duidelijk de kwaaie pier. Het was na de oorlog wel erg gemakkelijk om zo’n Duitser alles in de schoenen te schuiven. Dan zou je verwachten dat de auteur ook op zoek was gegaan naar informatie over die Vollmar. Het moet niet moeilijk zijn om diens dossier bij het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging op te vragen, maar dat is niet gebeurd. Wat zou die Vollmar te zeggen hebben gehad ? Was hij werkelijk een nazi of speelde hij het spel mee? Misschien had hij wel gevoelige informatie om zichzelf vrij te pleiten. Dat blijven nu onbeantwoorde vragen.

Waarom, waarom?
Van Oosten werkt toe naar die fatale dag in 1946 en concentreert zich op het motief. Waarom, waarom, moest uitgerekend Guljé van leven worden beroofd? Al meer auteurs hebben zich met die vraag beziggehouden. Atie Visser is in haar late bekentenis en in de daaropvolgende interviews altijd vaag gebleven over haar motief. Wat heeft haar er toe gebracht? Allerlei theorieën passeren de revue. De moord noemt Van Oosten ‘ontspoord verzet’, vast een woordspeling, omdat Atie Visser tot dezelfde groep behoorde als Dick Spoor, die aan de moord medeplichtig was geweest.

Doelenkazerne
Guljé werd na de Bevrijding gearresteerd en opgesloten in de Doelenkazerne. Dat moet voor Guljé, die als goed katholiek privé niets met het het nationaalsocialisme te maken had gehad, een vernederende ervaring zijn geweest. Opeens lag hij op een strozak in een smerige kazerne tussen een bonte verzameling criminelen, warhoofden en minkukels. Om een of andere reden vermeldt Van Oosten, dat Guljé te maken kreeg met ‘een aanklager van joodse afkomst, F. Hollander, de meest fanatieke aanklager van het Openbaar ministerie’. Was die joodse afkomst van belang zo kan men zich afvragen.
Het netwerk van Guljé zette alles aan het werk om hem vrij te krijgen. Een feit is, dat deze fabrikant, die door menigeen als katholieke collaborateur werd beschouwd, al na twee maanden uit zijn internering werd ontslagen en thuisarrest kreeg opgelegd, wat (zeker voor de buitenwacht) sterk op een voorkeursbehandeling leek. Zo gek was die gedachte niet.

Hè?
Eén klein detail moet nog wel even aan de orde komen. Op pagina 74, bij de bespreking van de geloofwaardigheid van de verdediging, staat dat de familie Guljé “… een joodse onderduiker in huis heeft gehad. Over een van hen zegt zoon Eugène Guljé later: ‘de zoon van de ‘joodse huisarts, Hugo Niemer, was bij ons ondergedoken’.” Er lijkt wat tekst te zijn weggevallen en het resultaat is merkwaardig. In ieder geval was de huisarts Paul Niemer, die in 1949 overleed, overduidelijk katholiek en nog in december 1944 praktiserend arts. Dat is een ongerijmdheid die nadere verklaring behoeft. Is dit belangrijk? Nou, zoals het er nu staat bood Guljé onderdak aan een joodse onderduiker, maar was dat Paul Niemers zoon Hugo? Of verbleef die om een andere reden bij Guljé en waren er meer onderduikers in huis. Kennelijk kwam er een huiszoeking vanwege Hugo Niemer. Maar omdat vader Guljé de (Duitse of Nederlandse?) politie naar de kamer van Eugène leidde werd Eugène (geboren in december 1925, dus te jong voor de arbeidsinzet) opgepakt en naar Kamp Vught gevoerd.

Ondanks een paar vraagtekens (er zijn er meer dan hier besproken) is dit een heel lezenswaardig boekje omdat op een toegankelijke wijze wordt geschreven over het leven van een Leids industrieel en de complexe situatie waarin grote bedrijven in oorlogstijd moest handelen.

Frits van Oosten, De oorlog was nog niet voorbij. Het ontspoorde verzet en de moord op Felix Guljé. Uitgeverij Ginkgo Leiden ISBN 978-90-832189-2-2 105 bladzijden incl. noten en literatuurlijst. Prijs € 15,=

Zie ook het eerder op deze website geplaatste artikel over Felix Guljé.

Afbeelding: De transportbrug tussen twee bedrijfsgebouwen van de conservenfabriek Tieleman & Dros aan de Middelstegracht. De brug is gebouwd door de Hollandsche Constructiewerkplaatsen.
ELO PV_MFO20070024 (public domain). NB: bij downloaden verschijnt vreemd genoeg het nummer LEI001026398.