WA marcheert, publiek ageert

Gepubliceerd op

Iedereen kent wel afbeeldingen van “de zwarte soldaten” van de NSB met het zwarte uniform, de blinkend zwart gepoetste laarzen en de zwarte pet. De Weerafdeling (WA) was een paramilitaire organisatie bedoeld om op straat intimiderend te werken en de NSB te beveiligen. De WA was evenals de NSB opgericht in 1932 en stond toen onder commando van de militair R.N. de Ruyter van Steveninck, die in 1941 burgemeester van Leiden zou worden. In 1936 werd de WA verboden op grond van de wet op de weerkorpsen. Maar kort na de capitulatie in mei 1940 vertoonden de zwarte soldaten zich opnieuw op straat. Het lied ‘WA marcheert’ werd speciaal gecomponeerd en klonk voor het eerst in november 1940: Het refrein is het bekendst gebleven:

En vrolijk klinkt het wijd en zijd
Wij melden u den nieuwen tijd
Gij, Dietse gouwen reikt elkaar de hand
WA marcheert, WA marcheert
Voor ons volk en vaaaaaderland
(tekst Frans Bankman, muziek Piet Heins)

Knokpartijen
Tot in juni 1940 waren er waarschijnlijk geen WA’ers in uniform op straat te zien, maar de maanden juli, augustus en september 1940 staan in het teken van de voortdurende confrontatie van de NSB en WA met hun tegenstanders. De aanwezigheid van NSB’ers en WA’ers in uniform wekken als een rode lap op de stier. Altijd blijven er mensen staan kijken en waarschijnlijk hoopt men dat er wat te beleven zou zijn. Over en weer wordt er geprovoceerd.
Het is niet alleen de WA die op straat verschijnt. Ook de leden van de NSNAP lopen rond in uniform en wel met hakenkruisband. Ze zoeken de confrontatie met de NSB. Zowel de NSB als de NSNAP zoeken de confrontatie met de aanhangers van De Nederlandsche Unie. En omgekeerd dagen leden van de Unie hen uit.

De eerste maal dat er WA’ers in actie komen is op 24 juni 1940. Dat lopen er wel dertig man in uniform door de Burchtsteeg. Dat was ongetwijfeld een geheel nieuwe ervaring voor zowel de WA’ers als de Leidse bevolking. De WA deelt klappen uit aan de omstanders, die deze groep enige tijd hebben gevolgd. Ook dat was een nieuwe ervaring: straatterreur. Het patroon van provoceren, intimideren en zo nodig (meestal onnodig) klappen uitdelen kwam heel geregeld voor. De dag- en nachtrapporten van de Leidse politie maken er in 1940 en 1941 vele malen melding van. De politie mocht van hogerhand niet optreden tegen de WA, maar moet ze juist beschermen. Volgens de WA gebeurde dat te weinig en te slap en daarom moest men zichzelf verdedigen.

Op 26 juni [1940] is er een opstootje in de Burchtsteeg. In het hotel Den Burcht resideert voorlopig de Ortskommandant, de NSDAP zit er en misschien heeft de WA er ook al een lokaal in gebruik. ’s Avonds verzamelt zich een groot aantal nieuwsgierigen voo het kringhuis in de Nieuwstraat in het kielzog van een groep van 20 NSB’ers.

Weer twee dagen later op 28 juni trekt een groep van 60 man van de WA door de stad met tamboers. Ze dragen knuppels, stukken gaspijp en ploertendoders. Een hoop volk komt er op af. Zoiets hebben ze nog nooit gezien. De troep marcheert via Breestraat (waar het voor de Stadsgehoorzaak tot een knokpartij was gekomen) en Kort Rapenburg naar de Boommarkt, waar het tot een handgemeen dreigde te komen. Volgens agent Barendse maakten de WA’ers gebruik van stukken gaspijp, ploertendoders en knuppels. Enkele van hen probeerden een student op nummer 4A van zijn kamer te halen omdat hij hen vanuit het raam op de 1e verdieping had uitgefloten. Daarna gaat de mars verder via de Vischmarkt en Koornbrug naar het kringhuis in de Nieuwstraat. Er waren ook WA’ers uit Katwijk bij betrokken. De Leidse WA lijkt niet zo omvangrijk.

Op 3 juli 1940 tegen de klok van 11 uur ’s ochtends loopt een groepje NSB’ers door de Breestraat in de richting van het Steenschuur. Ze worden gevolgd door een groepje burgers. ‘Vermoedelijk gesteund door de aanwezigheid der politie’ trekt een NSB’er een gummislang (tuinslang gevuld met lood) en maakt aanstalten om in te slaan op de achtervolgers. De vier agenten, die verplicht waren om de NSB’ers te beschermen, jagen ‘de menigte’ weg met gebruik van hun gummistok of sabel en begeleiden de NSB’ers naar het bureau. Daar worden een aantal stukken tuinslang in beslag genomen.

De relletjes nopen de burgemeester om een waarschuwing in de twee Leidse dagbladen te laten opnemen, verpakt als een dringend verzoek aan de burgerij. Het is tekenend voor de houding van de overheid ten opzichte van de demonstratieve optredens van de NSB dat de burgemeester de burgerij oproept om zich van het ‘op enigerlei wijze kenbaar maken van zijn bezwaren daartegen of instemming daarmede ten enemale te onthouden’. De burgemeester richt zich tot de gehele burgerij om met hem samen te werken en ‘mij er niet toe te dwingen om, ter voorkoming van ordeverstoring, zeer scherp in de vrijheid van beweging in te grijpen’. Kortom, de burgerij moet de optochten accepteren om erger te voorkomen.
Het dringende verzoek van de burgemeester heeft nauwelijks merkbaar effect. Steeds wanneer die mannen in hun zwarte uniform op straat te zien zijn trekken ze de aandacht van het publiek. Men weet al gauw dat ze licht ontvlambaar zijn en snel bereid tot een flinke knokpartij. Tegenstanders worden alert op de rondlopende WA’ers en zoeken zelf ook de confrontatie. Af en toe doen er Duitse militairen mee aan de zijde van de WA. Het geweld blijft lange tijd beperkt tot wat klappen tussen de colporteurs van de NSB, de NSNAP en De Nederlandsche Unie.

Colportage
Op de hoek van de straat staat een NSB’er,
’t is geen man, ’t is geen vrouw,
maar een ras-plebejer [ook wel farizeeër]
Met een krant in zijn hand
staat hij daar te venten;
en verkoopt zijn vaderland
voor zes losse centen.

Deze regels zijn algemeen bekend geworden. Het was ook een liedje op een melodie uit 1920. Het gaat over NSB’ers die colporteren met het blad Volk en Vaderland, ofwel VoVa.
In 1940 en 1941 waren niet alleen NSB’ers die colporteerden, maar ook leden van De Nederlandse Unie, de NSNAP en Nationaal Front van Arnold Meijer, een kleine facistische groepering. Iedere groep had vaste standplaatsen.
Op 4 oktober 1940 bijvoorbeeld raken colporteurs van het blad De Unie slaags met WA’ers en op 12 oktober met die van de NSNAP. Daarna blijft het lang rustig maar op 2 februari 1941 slaat de vlam in de pan. Er ontstaat een grote knokpartij waaraan zelfs de marechaussee te pas komt. Er vallen verschillende gewonden. Daarna is het weer een tijdje rustig, dat wil zeggen: wel WA op straat maar niet knokken. Colporteren door De Nederlandsche Unie is verboden.

Propaganda-oorlog
Het ging niet alleen om de aanwezigheid van de de NSB en WA op straat, maar er woedde ook een heuse propaganda-oorlog, die werd uitgevochten met aanplakbiljetten, gekalkte leuzen en de verspreiding van de letter W (voor Wilhelmina) en de letter V, de V-aktie. De leus was: V = victorie, want Duitschland wint op alle fronten. Tegenstanders veranderen de V in een W of veranderden het woord ‘wint’ in het woord ‘verliest’. De V-aktie was een landelijke fenomeen en was afkomstig van de bezetter. Vandaar dat nu ook de Ortsgruppeleiter van de Leidse NSDAP Heinz Steffin zich er mee bemoeide.
Tegenstand kwam vooral van de kant van de Nederlandsche Unie. De Unie kalkte bijvoorbeeld ‘Een jaar Unie is een jaar paraat.’ De NSB veranderde het woord ‘paraat’ in ‘verraad’. Op de woningen van NSB’ers werden letters V of W gekalkt met oranje verf of met zwarte teer.
Alsof dat allemaal nog niet genoeg was bleef ook de Leidse NSNAP actief. Die zette zich óók af tegen de NSB, meer nog dan tegen de Unie. De NSNAP richt zijn pijen ook op de huizen waarin Joden wonen. Enkele panden worden meermalen beklad of van anti-Joodse aanplakbiljetjes voorzien.

Zodra er ergens een opstootje is komt de politie poolshoogte nemen. In de dag- en nachtrapporten van de Leidse politie staan tal van dergelijke incidenten. Het is te veel om allemaal op te sommen. Vandaar dat we ons beperken tot de belangrijkste incidenten. Na een aantal rustige maanden laaien de gevechten in juli 1941 weer op.

De hete zomer van 1941
Misschien was het in retrospectief het begin van een hete zomer, Op 8 juni 1941 tegen tien uur ’s ochtends worden er vier jonge mannen door de politie aan het bureau gebracht op aangifte van een WA-man. Het zijn twee broers Welling en twee broers Dubbeldeman. De WA-man zat te kaarten in de woonkamer van zijn ouders aan de straatzijde van de Haarlemmerstraat. Het huis staat aan het eindpunt van de tram. De vier jongens zaten in een stilstaande tram en brachten op spottende wijze de nationaalsocialistische groet. Dat werd opgemerkt door het publiek, dat bleef staan om te kijken. Na verhoor mogen ze gaan. Joop Dubbeldeman zou zich ontwikkelen tot een fanatiek bestrijder van de NSB en van de collaboratie in het algemeen. Ook Theo Welling zou radicaliseren.
Op 21 juni is er voor het eerst weer eens sprake van geweld. Terwijl 30 WA’ers met 20 NSB’ers een mars door de stad houden komt het hier en daar tot wat klappen.
Op 5 juli 1941 tegen acht uur ’s avonds ontstaat een vechtpartij tussen een zevental WA’ers en een aantal burgers op de hoek van het Kort Rapenburg en de Boommarkt.
Vrijdag 18 juli 1941 om acht uur ’s avonds ontstaat een grote knokpartij bij de Kippenbrug aan de kant van de Aalmarkt tussen NSB’ers (niet in uniform) en burgers. De aanleiding was het gedrag geweest van Laurentius van Berge Henegouwen, van de radiowinkel op nummer 12. Hij was op de fiets langs enkele NSB-jongens gereden en had zonder enige aanleiding een klap uitgedeeld, geprobeerd er eentje omver te rijden en weer een ander bij de keel gegrepen. Er arriveert versterking van de NSB. De rel escaleert maar doofde tenslotte toch weer uit.
Zondagochtend 20 juli 1941 ’s blijkt dat op diverse plaatsen de letter W was geschilderd. Ook waren op verschillende panden van NSB’ers beklad.
’s Middags trekken NSB’ers door de stad en rukken “nationaliteitsinsignes” af van de kleding van burgers. Dat waren speldjes met rood-wit-blauw, bekroond met een leeuwtje. NSB en WA loerden op allerlei kleine uitingen van protest en zelfs Duitse militairen deden dat. Later op de middag ontstaat er een oploopje rond WA’ers, die er op een gegeven moment genoeg van hebben en naar Den Burcht gaan.
Tegen zes uur komt er bericht van de Ortskommandant, dat de politie niet meer hoefde op te treden tegen de letter V. Dat waren namelijk papiertjes van de NSB. Toen de winkelier Meijers van de Nieuwe Rijn 26 die van zijn winkelruit wilde verwijderen werd hij bedreigd door waarschijnlijk NSB’ers. Enkele NSB’ers werden betrapt, toen zij op Nieuwe Rijn 35 plakplaatjes plakten met V. Op aandringen van de agent bij een aanwezige hopman van de WA word het plakken stopgezet.
’s Avonds was er opnieuw een klacht van een bewoner aan de Nieuwe Rijn over het beplakken van zijn huis. ’s Nachts was er gekalkt met oranje letters W.
De volgende dag (21e) blijken er op de Breestraat tegen de gevel van het belastingkantoor (nr 20) ook weer V-papiertjes te zijn geplakt. Een klerk van het kantoor verwijderde de plaatjes, waarop een aanwezige WA-man de aangekomen agent sommeerde de naam van die man te noteren.
‘Middags kreeg het bureau een anonieme melding, dat de oranje letters OZO (Oranje Zal Overwinnen) op de Lage Rijndijk waarschijnlijk waren gekalkt door een zekere Dubbeldeman. Bij weer een andere plakpartij greep uiteindelijk een NSB’er in: plakken op particulier eigendom was verboden en daarom zou de NSB er mee ophouden. De NSB’er zou dat in het kringkantoor aan de Nieuwstraat gaan bespreken.
Dezelfde nacht blijkt er op grote schaal te zijn gekalkt, gekrijt en geplakt. W en OZO.
Op dinsdag 22 juli 1941 blijven de meldingen maar komen. Een winkelier uit de Breestraat kreeg een dreigend briefje om een japon uit de etalage te verwijderen. Er zat rood-wit-blauw op en de leeuw. Een aantal jongens fietst rond en werpt losse letters V op straat.
’s Avonds kunnen twee agenten een opstootje in de Van der Waalsstraat niet aan. De WA is er aan het kalken. Er gaan nog vier agenten heen. Iets na tienen komt er een melding over straatterreur op de Korevaarstraat. De rel was ontstaan toen ’s middags enkele leden van de WA goudsbloemen hadden verwijderd uit een tuin in de Treublaan 26. Die waren in de vorm van een W gezaaid. De WA ging vervolgens V’s kalken in de straat. Maar toen een WA’er een nieuwsgierig kind een klap gaf kwam de vader verhaal halen. Daarna liep het uit de hand. ’s nachts werd er weer W en OZO gekalkt.

Dan worden er in de vroege ochtend van de 25e drie jongemannen op het bureau gebracht. Ze zijn min of meer op heterdaad betrapt. Het zijn Han Paulides, Joop Dubbeldeman en Theo Welling. De hebben alle drie een wapenstok bij zich, maar geen identiteitsbewijs. Dat hoeft ook niet want op het politiebureau zijn ze genoegzaam bekend als aanhangers van de Nederlandsche Unie en door eerdere aanhoudingen. Om zeven uur ’s ochtends mogen ze weer naar huis met een paar processen-verbaal op zak.

Er zal geen direct verband zijn, maar in de nacht van 25 op 26 juli komt er een telegram binnen van het hoofdbureau van politie in Den Haag, dat met onmiddellijke ingang is verboden ‘het aanslaan, aanplakken of op enige wijze tentoonstellen van plakkaten en geschriften van de de Nederlandsche Unie, alsmede het dragen van insigne van de Nederlandsche Unie.’ Vanaf dat moment moest de politie dus optreden en werd de straf zwaarder. Bijna gelijkertijd wordt een spandoek binnengebracht van de V-aktie dat van Societeit Minerva is afgerukt.

Het wordt rustiger
Nog lang woedt de propagandaoorlog tussen de NSB en de tegenstanders met aanplakken, kalken en bekladden van aanplakbiljetten en van deuren. Op straat blijft het rustig. Uiteindelijk lijken de activiteiten van de WA uit te doven. Bij marsen door de stad worden toeschouwers die demonstratief hun rug laten zien hardhandig omgedraaid en valt er een klap of stomp, maar meer gebeurt er niet. Misschien hadden de WA’ers en hun opponenten er ook wel genoeg van.
Op 20 september verordonneert de Sipo/SD dat de NSB en NSNAP elkaars propaganda met rust moeten laten; ze mogen niet meer kalken op straten en muren. Eind september is de V-aktie eindelijk afgelopen.
Op 3 oktober 1941 valt de WA ’t Schuttershof met meer dan 60 man binnen en maakt een einde aan een feest met 200 bezoekers. Oktober is verder een heel rustige maand.
Op 8 november 1941 ontstaat er een volksoploop bij de winkel van fotograaf Slegtenhorst aan de Nieuwe Rijn. De NSB pikt het niet dat er een verscheurd exemplaar van Volk en Vaderland was aangetroffen. De NSB wilde zoon Cornelis meenemen naar het Kringhuis. Het blijft bij een paar klappen omdat het publiek belet dat de jongeman wordt meegenomen.

Het einde
Zowel de Unie als de NSNAP moeten het tegen het einde van 1941 uiteindelijk afleggen tegen de NSB, die als enige politieke organisatie steun krijgt van de Bezetter. Het colporteren wordt voor de opponenten van de NSB verboden en tegen het einde van 1941 wordt de Unie helemaal verboden. De NSNAP gaat gedwongen op in de NSB.
Ook met de WA loopt het minder goed af. De jonge leden worden geprest om dienst te nemen bij de Waffen-SS. Zo blijven er alleen maar wat oudere mannen over, of mannen die om een of andere reden ongeschikt zijn voor de échte gewapende strijd. Van de WA wordt in 1942 en 1943 niet veel meer vernomen. Begin 1944 (formeel half november 1943) wordt de Landwacht opgericht. Hoewel het formeel een NSB-organisatie is, staat de groep in de praktijk onder bevel van de SS. De mannen dragen niet meer het zwarte pak van de WA, maar Duitse uniformen of gewoon hun burgerkloffie. De harde kern van de Leidse Landwacht blijft tot en met 4 mei 1945 actief. In het ruime jaar dat de organisatie heeft bestaan zijn er tal van aanhoudingen en huiszoekingen verricht. Bij het grote publiek is de Landwacht berucht wegens het inpikken van levensmiddelen. Ook is er bloed gevloeid bij het arresteren van tegenstanders. Op 7 mei beginnen de Binnenlandse Strijdkrachten met het ophalen van de Landwachters.