Verboden boeken

Gepubliceerd op

Op 8 november 1944 deed rechercheur Kallenberg van de Leidse politie huiszoeking bij Piet Kouwenhoven in de Doezastraat. Kouwenhoven had een winkel in kantoor- en tekenbehoeften en was tijdens de bezetting daarnaast een leesbibliotheek begonnen. Er was een tip binnengekomen van Landwachter Zuiderhout dat Kouwenhoven een fors aantal verboden boeken in huis bewaarde. Kouwenhoven zat op dat moment in arrest in de Landwachtkazerne in de Nieuwsteeg. Van Kouwenhoven is bekend dat hij medewerker was van de LO en lid was van de Leidse Binnenlandse Strijdkrachten.
Kouwenhoven bleek inderdaad meer dan 300 boeken te hebben opgeborgen, voornamelijk vertaalde Engelse boeken. Hij wist heel goed dat het verboden was ze te bezitten en dat hij ze bij de politie had moeten inleveren. Dat had hij nagelaten omdat de boeken ‘vrij kostbaar waren’. Kennelijk had hij moeite afstand te doen van de boeken of hoopte hij dat hij ze ooit na de Bevrijding weer zou kunnen verkopen. Nu was hij ze toch kwijt, want Kallenberg nam ze in beslag en bracht ze naar het politiebureau. Het was waarschijnlijk een laatste stuiptrekking van een jacht op verboden boeken die bijna vier jaar lang had plaatsgevonden. De politie had vele malen een rondje gemaakt langs de boekhandels, leenbibliotheken en uitgeverijen op zoek naar een paar duizend boeken en brochures.

Verboden publicaties
Al in 1940 werden er tal van publicaties, met name dag- en weekbladen, door de Bezetter verboden, vrijwel altijd naar aanleiding van een incident. In 1941 werd er een begin gemaakt met een meer constante bestrijding van onwelgevallige publicaties via een publicatie- en verspreidingsverbod. Als gevolg daarvan mochten ze niet meer worden gedrukt en verkocht en moesten ze uit de rekken van bibliotheken worden verwijderd.
Overigens was het bezit van de verboden boeken niet expliciet strafbaar, maar wanneer ze werden aangetroffen werden ze in beslag genomen. Het archief van de Leidse gemeentepolitie bevat een niet onaardig dossier over dit onderwerp. Het loopt van begin 1941 tot in 1944 en bevat vele opdrachten met titels. De meeste boeken hadden een administratief nummer gekregen om de correspondentie te vergemakkelijken. Het dossier is niet volledig: van een paar honderd nummers of meer ontbreken de gegevens.
In de literatuur over de Bezetting is er over dit onderwerp nauwelijks iets te vinden.

Meldpunt?
Begin mei 1941 waren de eerste opdrachten binnengekomen om boeken in beslag te nemen. Formeel waren ze afkomstig van de procureur-generaal van het gerechtshof Den Haag, Robert van Genechten. Dat was een prominent NSB’er die het ongetwijfeld een genoegen vond om te doen, maar hij fungeerde alleen maar als doorgeefluik voor de grote baas, Wilhelm Harster, die in juli 1940 Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD was geworden en dat tot augustus 1943 zou blijven. Harster had echter wel belangrijker taken dan zich te buigen over ongewenste publicaties, hij was meer de man die de leiding had over de jacht op verzetsmensen en later op Joden. Zijn baas was de höhere SS- und Polizeiführer en Generalkommissar für das Sicherheitswesen H.A. Rauter. Na de reorganisatie van de Nederlandse politie, begin 1943, werden de opdrachten verstrekt door de fungerend gewestelijk politiepresident kolonel J.J. Boelstra in Rotterdam.
Het lijkt er op dat de BdS, dat wil zeggen de Sipo/SD, zelf gestaag werkte aan het verboden verklaren van publicaties, maar dat er ook tipgevers waren, die bepaalde titels of schrijver voordroegen voor een verbod. Zo werkte ook de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg aan de alsmaar uitdijende lijst.

Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg
De Einsatzstab Reichleiter Rosenberg, opgericht in 1940 en genoemd naar de nazi-ideoloog Alfred Rosenberg. Rosenberg was een fanatieke nazi en een fanatieke antisemiet, die veel over de nazi-denkbeelden had geschreven. De naam en de aard van deze organisatie is niet algemeen bekend, maar over deze activiteit hebben veel mensen wel eens gehoord. In documentaires zijn wel foto’s of filmbeelden te zien van de grote opslagplaatsen in grotten, helemaal gevuld met schilderijen en beeldhouwwerken. Die kunstroof was het werk geweest van de ERR. Vooral Frankrijk en de veroverde gebieden in het Oosten hadden een rijke buit opgeleverd, maar ook in Nederland was de ERR actief geweest.

De ERR speurde ook naar Joodse eigendommen en bijzondere cultuurgoederen om ze in beslag te nemen. Behalve de jacht op topkunst en Joodse cultuurgoederen was de Einsatzstab ook verantwoordelijk voor de ontruiming van de woningen van gedeporteerde Joden. Daarover gaat een ander artikel op deze website. Verder werden er ook Joodse archieven en bibliotheken, zoals die van het Spinozahuis in Rijnsburg in beslag genomen. De meest waardevolle werken moesten worden opgezonden naar het in Frankfurt am Main gevestigde Institut zur Erforschung der Judenfrage, wat overbleef kon worden vernietigd.
De ERR werkte ook gestadig aan een algemene lijst van verboden boeken. Daarvoor werd regelmatig overleg gepleegd met de Sipo/SD. In dit verband werd bijvoorbeeld begin 1943 de boekhandel van Garnade in de Steenstraat gevisiteerd, maar in deze doorsnee boekhandel werd niets interessants c.q. waardevols aangetroffen. Wel werden wat verboden boeken in beslag genomen.

Wat voor boeken vielen er in ongenade?
Het lijkt er op dat er in de drie jaar geen doordacht systeem is geweest, maar dat er een hapsnapbeleid is gevoerd van wat er maar toevallig aan het bureau werd gemeld. Daarbij zullen tipgevers, Duitsers én Nederlanders, een belangrijke rol hebben gespeeld. Hoe zou de Sipo/SD anders hebben kunnen weten dat het bekende kinderboek De zoon van Dik Trom van Joh. Kievit uit 1907 een Duitsvijandige passage bevatte? Kievit beschreef hoe een paar dorpskinderen soldaatje spelen; ze zijn verdeeld in “Nederlanders” en “Duitsers”. Eén van de kinderen roept ‘weg met de Duitsers!’ Best wel opvallend natuurlijk, omdat het boek al vóór 1914 verscheen. Door deze uitroep voelde de Bezetter zich uiteraard gekwetst. Het populaire kinderboek werd om die reden al begin oktober 1941 getroffen door een verschijningsverbod, tegelijk met het blad De Unie van de De Nederlandse Unie (een politiek opponent van de NSB) en het weekblad De Weg van het fascistische Nationaal Front van Arnold Meijer. Nogal een verschil!
Verboden werden (uiteraard) openlijk anti-Duitse en anti-nationaalsocialistische boeken, ‘linkse’ boeken, boeken van Amerikaanse, Engelse en Joodse schrijvers, zowel literatuur als wetenschappelijke werken. Verder boeken over huwelijk, seksualiteit en opvoeding, katholieke en protestantse boeken, over pacifisme, de Eerste Wereldoorlog, de boeken van Tarzan. Een bonte stoet, maar wel met een gemeenschappelijk kenmerk, namelijk dat de auteur of de ideeënwereld verwijderd moesten worden uit de nationaalsocialistische wereld.

Speurneus Van der Plas
Een mooi voorbeeld van tipgeverij betreft een rapportje d.d. 2 januari 1943 van agent-rechercheur C. van Van der Plas van de Documentatiedienst bestemd voor commissaris Hoffmann: hij had bij de leesbibliotheek A.C. Ponstein aan het Levendaal een boek geleend van Jan Brandts Miss Mason bemoeit zich er mee. Het boek beviel hem niet: ‘Bij de doorlezing daarvan, bleek mij, dat het boek een zeer anti-Duitsche en vooral zeer anti Nationaal-Socialistische strekking heeft, hetgeen vooral in het 23e hoofdstuk tot uiting komt. Door mij zijn in dit hoofdstuk enkele passages waarin dit zeer sterk naar voren komt, aangestreept. Bij onderzoek is mij gebleken, dat het boek niet voor komt op de lijst van verboden boeken’. Hij had hij het boek in beslag genomen om het door ‘de daartoe bevoegde instanties’ te laten beoordelen. Commissaris Hoffmann stuurde het een week later naar de fungerend gewestelijk directeur van politie in Den Haag. Of de opmerkzaamheid van Van der Plas ook geleid heeft tot een verbod kon nog niet worden vastgesteld.
De neus van Van der Plas had zich niet vergist. Mogelijk wist hij niet, dat Jan Brandts het pseudoniem was van Anthoon Koejemans, een communistische schrijver, die in 1940 redacteur was van de communistische krant Het Volksdagblad. Anders had hij dat zeker wel vermeld. Koejemans werd na de oorlog hoofdredacteur van De Waarheid, lid van het partijbestuur van de CPN en lid van de Eerste Kamer voor die partij. Als Jan Brandts schreef hij ook wat populaire boeken.

Leidse auteurs en uitgeverijen
Het valt op, dat er onder de getroffen auteurs maar bijzonder weinig Leidse auteurs te vinden zijn en evenmin veel uitgevers. Aangezien het politiearchief niet compleet is in dit opzicht, is het resultaat waarschijnlijk ook niet volledig, maar lijkt wel representatief.
Al vrij vroeg (exacte datum helaas niet vermeld) werd het boek Algemene Staatsleer van prof. R. Kranenburg uit 1937 op de lijst gezet met nummer 65. In januari 1942 volgde zijn boek Inleiding in het administratief recht (Algemeen deel).

In januari 1943 werd een boek verboden van J.A.J. Barge, F.J. Buytendijk en J.E. Schulte met de titel Het ras morphologisch, physiologisch en psychologisch beschouwd. Het was een bundel uit 1939 met voordrachten die gehouden waren op een studiedag van de Katholieke Universiteit Nijmegen over het rassenvraagstuk. Barge was hoogleraar aan de Leidse universiteit en lid van de Eerste Kamer voor de RK Staatspartij. Als rector magnificus (1937-1938) had hij standvastig opgetreden tegen nationaalsocialistische propaganda door studenten. Hij had in 1940 (onder andere op de 26e november) colleges gegeven over de wetenschappelijk aspecten van het begrip ras. Onderscheid op basis van het ras vond hij wetenschappelijk niet juist. Barge werd in 1942 enkele maanden gegijzeld in het gijzelaarskamp Beekvliet St. Michielsgestel en kwam in december vrij. Het verbod op het boek kort daarop lijkt te zijn ingegeven door een zucht naar straf, rancune of wraak.

Van professor Herman Boeke (tropische koloniale huishoudkunde) werden twee boeken verboden. In juni 1941 het zojuist verschenen boek De nationaalsocialistische staatshuishoudkunde en eind februari 1942 het boek Indische economie uit 1940.

Dat het boek van de historicus Herman Colenbrander Oranje en het Wilhelmus werd verboden zal niemand verbazen. Het werd in 1942 uitgegeven door Burgersdijk & Niermans (Templum Salomonis) en werd al ras getroffen door een verschijningsverbod. Dat hadden de uitgevers natuurlijk kunnen weten.

Een van de bekendste, zo niet beroemdste hoogleraren van de Leidse universiteit was ongetwijfeld de cultuurhistoricus Johan Huizinga. Zijn boek Herfsttij der Middeleeuwen uit 1919 wordt nog steeds gelezen. In de schaduw van morgen uit 1935 maakte hem wereldberoemd en is volgens kenners nog altijd lezenswaardig. Bekend zijn de woorden ‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het’. Het wordt gezien als een waarschuwing tegen de om zich heen grijpende totalitaire verdwazing, een boodschap die in zeer actueel is. Alleen zullen nog maar weinig mensen meegaan met zijn wereldbeeld, dat gekleurd was door zijn visie op de christelijke Middeleeuwen. Huizinga’s boek over de wijsgeer Desiderius Erasmus uit 1924 wordt nog altijd gezien als een meesterwerk.

Politieke verwikkelingen van Huizinga in 1933
In april 1933, dus kort na de machtsgreep van Hitler, bleek dat Huizinga een open oog had voor de politieke ontwikkelingen in Duitsland. Bij een congres van de Internationale Studenten Hulporganisatie was een Duitse delegatie van veertig personen aanwezig met als leider Johann von Leers, een Nazi. Nadat Huizinga kennis had gekregen van diens antisemitische geschrift Forderung der Stunde: Juden raus verzocht hij als rector magnificus Von Leers niet meer aan de conferentie deel te nemen. Kennelijk was er van diverse kanten bij Huizinga over Von Leers geklaagd. In dat geschrift had die Duitse moeders gewaarschuwd om met Pasen hun kinderen thuis te houden in verband met de mogelijkheid dat die het slachtoffer konden worden van een rituele moord door Joden. Hierop vertrok de gehele Duitse delegatie en werd de conferentie voortijdig beëindigd. Sindsdien werd het werk van Huizinga in Duitsland geboycot. Daarnaast mocht Huizinga Duitsland niet meer in en zeker geen lezingen meer houden. Enkele van zijn boeken werden verboden. Von Leers bleef antisemitische geschriften publiceren en was nog in 1943 uitermate rancuneus.
Huizinga werd met ingang van 1 juni 1942 ontslagen en begin 1942 als gijzelaar ondergebracht in het gijzelaarskamp Beekvliet in St. Michielsgestel; hij werd vrijgelaten wegens zijn slechte gezondheid, maar mocht niet meer terug naar het Westen des lands. Hij verbleef tot zijn dood in 1945 in het huis van prof. Cleveringa in het Gelderse De Steeg. In maart 1943 werden alle werken van deze historicus verboden. Dat zou heel goed verband kunnen houden met de publicatie van Hellmut Schramm, Der Jüdische Ritualmord. Eine historische Untersuchung, opgedragen aan Reichsminister Alfred Rosenberg met een inleiding van Von Leers. Huizinga wordt in dat boek en passant nog even gehekeld over zijn optreden in 1933; Von Leers schijnt hem ‘der grösste Judenknecht und Hasser des Nationalsozialismus in Holland’ te hebben genoemd. Dat laatste was ongetwijfeld waar.

Over Huizinga zijn enkele biografieën op internet te lezen.
Specifiek over het conflict in 1933:
Merijn van Nuland, Hoe Johan Huizinga de nazi’s versloeg, te lezen op internet;
Artikel van Walter Thys in Internationale Neerlandistiek 2014, 67-81 (ook op internet)
W. Otterspeer, Huizinga voor de afgrond. Het incident-Von Leers aan de Leidse universiteit in 1933. (Utrecht 1984).

De communistische neuroloog Gerrit Kastein was bij de Bezetter goed bekend. Vrijwel vanaf het begin van de Bezetting was hij actief in het communistisch verzet. Na zijn arrestatie in verband met twee moordaanslagen pleegde hij zelfmoord op 21 februari 1943. Het verbod op zijn boek Het rassenvraagstuk uitgegeven in 1938 door de Amsterdamse uitgeverij Pegasus in mei 1943 lijkt hiermee direct verband te houden.

Hendrik Kraemer,  hoogleraar godsdienstgeschiedenis en godsdienstfenomenologie, theoloog van de Nederlandse Hervormde Kerk, was van juli 1942 tot maart 1943 geïnterneerd in het gijzelaarskamp Beekvliet te St. Michielsgestel. Twee titels van Kraemer werden in 1942 verboden: in mei de brochure Het raadsel der geschiedenis. Gedachten uit Romeinen 9-11 en in juli de brochure Doet het Christendom niet meer ter zake uit 1938.
Leiden4045.nl is te weinig theologisch geschoold om hier een verklaring voor te geven.

De oogst is dus niet groot: zes hoogleraren en één linkse arts. Geen enkele literator en geen enkel politiek of puur anti-nationaalsocialistisch boek. Bij alle zes lijkt er een direct verband te bestaan tussen het verbod en politieke activiteiten van de auteur. Slechts één van de verboden boeken was uitgegeven door een Leidse uitgever. Het lijkt er sterk op dat er pas een publicatieverbod kwam nadat de auteur om andere redenen in de belangstelling van de Bezetter was gekomen. Het heeft iets weg van een bijkomende straf.

Leidse uitgevers en boekdrukkers
Wat de Leidse uitgevers en boekdrukkers betreft is het beeld iets algemener.

Het blad De Metaalbewerker. Orgaan van den Christelijken Metaalbewerkersbond in Nederland werd verboden in november 1941. Er zal wel een onwelgevallige passage in hebben gestaan of misschien was de toon van het blad niet positief genoeg. Het verbod werd medegedeeld aan de administratie, gevestigd in de De Laat de Kanterstraat.

NV A.W. Sijthoff Uitgeversmaatschappij, gevestigd in de Doezastraat, uitgever van o.a. het Leidsch Dagblad, zag zich in februari 1942 geconfronteerd met het verbod op het boek De stad aan de Maas (2e druk) van D. Hans. In juli 1942 werden alle geschriften van Jules Samuels verboden. Samuels (1888-1975) was een in Suriname geboren Joodse vrouwenarts, die zich had gespecialiseerd in wat we tegenwoordig “alternatieve geneeskunde” noemen. Hij had bijvoorbeeld een elektrisch kastje ontwikkeld waarmee een patiënt via elektroden op het hoofd hoogfrequente wisselstroomstootjes konden worden toegediend. Dat zou helpen tegen tal van aandoeningen, ja zelfs kanker. De Vereniging tegen de kwakzalverij noemde hem in 2000 een van de grootste kwakzalvers die er in Nederland zijn geweest. Kwakzalverij is altijd populair geweest en zijn geschriften zullen dus wel goed zijn verkocht. Sijthoff was de uitgever van een Duitstalig geïllustreerd boek over de behandeling van kanker. Samuels schreef overigens ook boeken over het “huwelijksleven”.
In september 1942 werd een boek van J. Wertheim uit 1938 verboden, Hollanders in den greep van de Tsjeka. Herinneringen van een slachtoffer. Het boek ging over de Sovjet-Unie, de auteur was Joods, dus het verbod is duidelijk.
In december 1942 mocht ook het boek Latijnsche lente van Jan Greshoff uit 1918 niet meer verschijnen. Het was een bundel van artikelen die hij voor De Telegraaf had geschreven. Naar de reden daarvoor blijft het gissen. Misschien vanwege de uitgesproken bewondering voor de Franse cultuur? Wellicht vanwege een enkele zin, die voor de Nazi’s gevoelig lag, net zoals bij Dik Trom het geval was?
Eind mei 1943 werden nog 29 exemplaren van het boek Schijnwerpersvan G.S. Viereck in beslag genomen tijdens een grote speuractie naar -kort gezegd- linkse boeken.

Het Nederlandsch Uitgeversbedrijf van wetenschappelijke uitgaven was gevestigd aan de Rijnsburgerweg in hetzelfde pand als de Leidsche Onderwijsinstellingen. De directeur van de uitgeverij, I.J. Sloos uit Oegstgeest, was ook directeur van de Nederlandsche Wetenschappelijke Boekhandel NV, gevestigd in de Breestraat op nummer 52.
Het bedrijf werd in augustus 1942 geconfronteerd met het verbod om negen tijdschriften verder uit te geven. Ging dat om de inhoud of om de medewerkers? Van twee tijdschriften was de hoofdredacteur P.H. Ritter jr., die bekend was als schrijver en regelmatig op de radio te horen was geweest. Ritter was een bekend tegenstander van het nationaalsocialisme en al in oktober 1940 door de Sipo/SD opgepakt als represaille voor de slechte houding van de Nederlandse autoriteiten in Nederlands-Indië tegenover de Duitsers die daar woonden. Met 115 andere bekende en minder bekende Nederlanders werd hij als gijzelaar naar het concentratiekamp Buchenwald overgebracht. Later werd hij geïnterneerd in kamp Haaren en in het gijzelaars kamp Beekvliet te St. Michielsgestel en zou pas op 17 september 1944 worden vrijgelaten. Van de overige zeven tijdschriften blijft het gissen naar het publicatieverbod. Ze gingen over economie of belastingen. Wellicht was er kritiek op de economische politiek van de Bezetter.

NV Leidsche uitgeversmaatschappij (Hooglandse Kerkgracht 21).
In mei 1943 werden alle boeken van Ola Alsen verboden. Alsen (pseudoniem van Henriette Alsberg) was in de jaren 20 een bekende modejournaliste geweest in Berlijn. Ze schreef ook romans en andere boeken, die op een of andere manier met mode te maken hadden. Ze had Joodse ouders, liet zich in 1933 dopen, maar na de zelfmoord van haar broer emigreerde ze naar Groot-Brittannië. De Leidsche uitgeversmaatschappij had in 1939 een boek van haar uitgegeven met de titel Wat zie je er aardig uit. een handleiding voor de vrouw die prijs stelt op haar uiterlijk. Een beetje curieus is dat wel omdat het Duitse origineel Das Geheimnis der Schönheit al in 1920 was verschenen. Een modeboek van 19 jaar oud zal ook toen al wel een beetje ouderwets zijn geweest. Of was het een herziene versie van het origineel?

Firma Burgersdijk & Niermans (Templum Salomonis)
Van dit al lang bestaande bedrijf was het antiquariaat, de afdeling veilingen en de administratie gevestigd op de hoek van de Nieuwsteeg; in de Breestraat was een gewone boekwinkel. In september 1942 werd het boek van W. van Ravestijn, Rotterdamse cultuur voor honderd jaar (serie In den Houttuyn). uitgegeven in 1942 en van dezelfde serie werd in augustus 1942 de brochure Beschouwingen over het Nederlandsche volkskarakter. In oktober 1942 volgde het al genoemde boek van Colenbrander.

NV Drukkerij v/h J.J. Groen en zoon
Deze christelijke drukkerij en uitgeverij, gevestigd in de Pieterskerkkoorsteeg, zag zich in december 1942 geconfronteerd met een verbod van het boek van Leo Taxil, Geheimen over de vrijmetselarij. Het was oorspronkelijk in 1886 in Frankrijk verschenen onder de titel Les Mysteres de la franc-maçonnerie.Dit boek viel onder een algemeen verbod van boeken over de vrijmetselarij. Volgens Wikipedia had Taxil (één van de pseudoniemen van een Franse auteur) vele antikatholieke en antimaçonnieke boeken geschreven. Ze waren in 1942 al behoorlijk oud, want de auteur was reeds in 1907 overleden. Hoewel de Nazi’s de katholieken en de vrijmetselaars als hun vijanden beschouwden werden deze boeken toch om een of andere reden niet in orde bevonden en dus verboden.
Groen drukte ook de Nieuwe Leidsche Courant en het Hervormd kerkblad. Beiden bladen werden verboden.

NV Electrische drukkerij Taconis
Dit bedrijf heeft, voor zover valt na te gaan, maar enkele jaren bestaan. Na 1934 is er niet meer over te vinden en de gebouwen aan de Maredijk werden in 1937 te koop gezet. Maar de onderwerpen van de twee verboden publicaties spreken voor zich: Het Duitsche leger te Leuven in augustus 1914 en Antwoord op het Duitsche Witboek van 10 mei 1915. Oorspronkelijk waren ze in België uitgegeven.
Het Duitse leger had in Leuven vreselijk huisgehouden. Berucht is de brandstichting in de universiteitsbibliotheek. In het Duitse witboek werd de Duitse aanval in 1914 gerechtvaardigd.

NV Boekhandel en drukkerij v/h E.J. Brill
Net als Sijthoff had ook Brill een boek van Jules Samuels uitgegeven of gedrukt: Een omwenteling in de behandeling van suikerziekte.

Conclusie
Uit de gegevens kunnen we concluderen, dat er nauwelijks boeken van Leidse auteurs, uitgevers en boekdrukkers zijn verboden.

Vernietiging van in beslag genomen publicaties
De in beslag genomen boeken werden doorgaans opgestuurd naar de Nederlandse justitie in Den Haag. In enkele gevallen zijn er boeken opgestuurd naar een zekere SS-Oberstürmfuhrer Berger van de SD aan het Binnenhof. Het is niet duidelijk waarom hij ze wilde hebben, maar uit andere bronnen is bekend, dat Berger aan het hoofd stond van de afdeling die belast was met de jacht op verboden boeken.
Enkele malen kreeg de Leidse politie de opdracht om de boeken te laten vernietigen. In januari 1943 werd ongeveer 500 kilo boeken opgekocht door een handelaar in oud papier, die er vier gulden voor betaalde. Daarbij zaten 200 exemplaren van een boek, die vermoedelijk bij een Leidse drukker in beslag waren genomen. De boeken waren onder toezicht van Van der Plas onleesbaar gemaakt, zodat ze niet stiekem konden worden doorverkocht. Eind november 1943 ontving de politie een bedrag van fl. 47,10 uit de verkoop van in beslag genomen boeken. Het bedrag werd uiteindelijk gestort in de kas van de Kamaraadschapsbond van de Leidse politie.
De negentiende-eeuwse dichter Heinrich Heine zei al: ‘Dort wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen’. Dit citaat wordt vaak aangehaald wanneer het gaat om de beruchte boekverbranding op de Berlijnse Bebelplatz in 1933. Van boekverbranding in Leiden is nergens sprake, maar versnipperen was zeker zo effectief. Overigens was Van der Plas in deze maanden druk doende met het toezicht op de ‘evacuatie’ van de Leidse Joden. In het weekeinde zocht hij kennelijk ontspanning in een detective, maar ook dat leverde weer werk op.

Na de Bevrijding: schamele restitutie
De aftocht van de Bezetter betekende ook de opheffing van een woud aan verbodsbepalingen. Mensen bij wie er door de politie iets in beslag was genomen werden nieuwsgierig of ze er misschien nog wat van terug konden krijgen. De Leidse politie kreeg ‘een groot aantal schriftelijke, telefonische en mondelinge verzoeken’ van boekhandels en leesbibliotheken of er op het bureau nog in beslag genomen boeken aanwezig waren. Commissaris Meijer liet het uitzoeken maar de meeste waren helaas afgevoerd en waarschijnlijk tot oud papier vermalen. Toch waren er nog wat boeken achtergebleven die de boekhandels en leesbibliotheken konden komen ophalen.
De RK leesbibliotheek aan het Steenschuur moest genoegen nemen met maar één boek. Kouwenhoven zal wel erg teleurgesteld zijn geweest, want van zijn gekoesterde Engelse boekenvoorraad kreeg hij geen enkel exemplaar terug, maar alleen vier detectives (waaronder een deel uit de serie De Schaduw van Havank) in het Nederlands, die wel door het politiepersoneel zullen zijn gelezen. Leesbibliotheek C. van Leeuwen uit de Lokhorststraat was gelukkiger en kon enkele tientallen boeken meenemen. De andere gedupeerden zaten er qua aantal tussenin.

Bronnen: diverse politiearchieven.