Flanderhijn, Nico

Gepubliceerd op

In de laatste maanden van 1944 begon het aantal gewapende roofovervallen flink toe te nemen. In beginsel was dit werk voor de Leidse recherche, maar altijd moesten de Feldgendarmerie en de Sipo/SD worden gewaarschuwd. Vooral de Feldgendarmerie was in deze maanden volop actief om allerlei wetsovertreders aan te houden. Dat zou voortgaan tot en met 4 mei 1945.

Twee families
Eind december meenden de politie een groep overvallers in het vizier te hebben. Op zaterdag 30 december 1944 werden rond tien uur ’s avonds door de Feldgendarmerie, De Sipo/SD en de Leidse politie een inval gedaan op twee adressen. Nadat er bij huiszoeking bezwarend materiaal was gevonden, werden drie leden van de familie Hollebeek thuis aangehouden door rechercheur De Boer, vader Nico met zijn twee zonen Flip en Adriaan. Ook Nico Flanderhijn werd gearresteerd. Tegelijkertijd werd het huis van de familie Flanderhijn doorzocht; daar werden vijf familieleden opgepakt. De negen arrestanten werden naar het Leidse politiebureau overgebracht en opgesloten. In de lege woning van Hollebeek bleven één of twee rechercheurs achter om te wachten op personen die nog zouden komen. Deze aanpak was gebruikelijk en leverde meestal resultaat op. De volgende ochtend werden op die manier nog acht personen aangehouden. Allereerst een schoonzus en een uurtje later een jonge man, die echter snel werd vrijgelaten. Om half één werd een groepje van zes mannen aangehouden, die zich verdacht gedroegen in de buut van de woning. Ze hadden allemaal een verklaring voor hun gedrag en kennelijk was er verder onvoldoende aanleiding om ze vast te houden want deze zes en de schoonzus werden in de vooravond weer op vrije voeten gesteld. Zo konden ze op Oudjaarsavond thuis bekomen van de schrik. Misschien was de snelle vrijlating van de zes mannen niet helemaal de bedoeling, maar daarover straks meer. De negen arrestanten van de zaterdagavond beleefden een sombere jaarwisseling op het politiebureau. Het zag er niet goed voor ze uit.

Huiszoekingen
Die zaterdagavond had de politie namelijk nogal wat belastend materiaal gevonden. De recherche vermoedde dat een aantal zaken afkomstig was van bepaalde overvallen:
Bij Hollebeek kleding, twee pakken lucifers merk twee gekruiste zwaarden, wat tabak en sigaren. Verder wat levensmiddelen (onder meer rijst) en onduidelijke zaken, maar ook een alarmpistool met zes patronen, een dolkmes en een witte armband met het woord Oranje. Flip had ook een vals persoonsbewijs. Bij Flanderhijn vond de politie eveneens kruidenierswaren zoals rijst en suiker. Ook werden er lucifers gevonden met het merk de twee zwaarden.

Meer arrestaties en bekentenissen
Het balletje was eigenlijk een dag eerder gaan rollen, toen de politie naar aanleiding van een tip een kijkje ging nemen in een garage in de Hugo de Grootstraat. ‘Ons was ter ore gekomen’, zo begint het proces-verbaal, dat er in een garage in de Hugo de Grootstraat ‘zeer waarschijnlijk goederen waren opgeslagen afkomstig van misdrijf, alsmede in perceel Kapteijnstraat 15, bewoond door de familie P.W. Hoogkamer’. In de garage vonden de rechercheurs potten met jam, scheepsbeschuit, kazen, wat melkpoeder en wat havermout. Op de grond lag wat suiker.
Bij Hoogkamer thuis vonden de rechercheurs in de gang zes balen suiker van ieder 100 kilo. Dat deed vermoeden dat het hier ging om suiker die op 28 december was geroofd uit de conservenfabriek Vita aan het Levendaal. Hoogkamer en twee andere betrokkenen werden aangehouden. Bij verder onderzoek begin januari 1945 kwam naar voren, dat de garage op 28 december in gebruik was genomen voor de opslag van de aangetroffen goederen op verzoek van Joop Dubbeldeman en een zekere Theo. Hoogkamer kende Dubbeldeman en herkende Theo van een foto die hem door de rechercheur werd getoond.
Dubbeldeman en Theo ware goede bekenden van de Leidse en Duitse politie. Al vanaf de zomer van 1940 hadden ze in woord en daad verzet gepleegd tegen de Bezetter. Daarvoor waren ze vele malen op het politiebureau geweest. Dubbeldeman had zelfs een jaar gevangen gezeten wegens brandstichting in een lokaal van de NSB.

Negen overvallen
Flip Hollebeek (Johannes Philippus, 1922) en Nico Flanderhijn (1919) bekenden deel te hebben genomen aan zeven overvallen en een inbraak. Deze overvallen worden ook beschreven in aparte artikelen. Tijdens deze overvallen waren sommige mannen gemaskerd, anderen niet. Steeds werd er minstens één wapen getrokken. En een aantal malen droeg één van de overvallers een politie-uniform.

(1) Bij de overval op aannemer W. Oudshoorn aan de Oude Vest op 13 november 1944 werd fl. 2700 buit gemaakt. De drie slachtoffers kregen op 7 januari 1945 foto’s te zien van Dirk van Booren, Johannes Vink, Joop Dubbeldeman en Flip Hollebeek. Los van elkaar herkenden zij alle vier de overvallers en wezen Flip Hollebeek aan als degene die in uniform was opgetreden, maar dat werd door Hollebeek ontkend.
(2) Op de ochtend van Sinterklaas ontdekte WillieKooreman dat er uit zijn sportzaal aan de Breestraat (ingang Plaatsteeg) een fiets was gestolen. Ook de volgende dag bleek er een fiets te zijn verdwenen. Een dag later was er een jas weg. De 12e december bleken er diverse kledingstukken te zijn ontvreemd en twee lappen markieslinnen. Ook was fl 580 aan kasgeld spoorloos verdwenen. Bij de vondst van markieslinnen in het huis van Hollebeek zullen de rechercheurs waarschijnlijk wel aan de diefstal bij Kooreman hebben gedacht.
(3) Jacobus Hollebeek verklaarde in de avond van 11 december 1944 in zijn woning aan de Garenmarkt bedreigd te zijn door drie man, die alle drie een revolver hadden. Ze gingen er van met een motorfiets die bij hem was opgeslagen, maar eigendom was van zijn baas, Willem Warring. Jacobus zei de overvallers niet te hebben herkend, maar dat was wellicht een leugen. Eén van de overvallers was namelijk zijn jongere broer Flip, maar die was misschien uit het zicht van zijn broer gebleven. Het kan ook zo zijn geweest, dat de hele overval in scene is gezet om het weghalen van de motor de verdoezelen.
(4) Zes man, gekleed als politieagent haalden in de avond van 14 december een forse partij levensmiddelen weg uit een voedseldepot van de Provinciale Voedselcommissaris aan de Haagweg. De buit werd afgevoerd met paard-en-wagen.
(5) een week later omstreeks half vier ’s middags betraden enkele klanten café De Ster van C.S. Kleinman en bestelden een consumptie. Na een half uur te hebben gezeten sloot één van hen de voordeur en de mannen trokken een wapen. Bij deze overval werd veel drank meegenomen en een groot bedrag aan geld. Ook de vier aanwezige klanten werden ontdaan van hun geld.
(6) Diezelfde avond van 23 december miste kreeg banketbakker Megchelse bezoek van een aantal overvallers. Toen ze weg waren miste onder meer een bedrag van ongeveer 800 gulden, een bakfiets, een herenrijwiel, bakkersproducten, kaas, suiker en een horloge.
(7) De overval op de tabakswinkel van Kleinhans in de Van Lennepstraat op 27 december zou de politie een link opleveren in het onderzoek. Behalve tabakswaren werden er ook lucifers meegenomen. De lucifers met het merk de twee zwaarden vormden een spoor in het onderzoek. Ze werden aangetroffen bij Hollebeek, Flanderhijn en bij Van Booren.
(8) Zes overvallers namen op 28 december 1150 kilo rijst mee met een paard-en-wagen uit de winkel van de coöperatieve vereniging De Unie.
(9) Enige uren na de overval op winkel van De Unie deden 8 of 9 mannen een overval op de conservenfabriek Vita aan het Levendaal. Van de 35 opgeslagen balen suiker van 100 kilo elk werden er 21 geladen op een paard-en-wagen.

De RVV-groep van Joop Dubbeldeman
Bij deze overvallen waren naast Flip en Nico meestal maar een paar dezelfde mannen betrokken: Dirk van Booren, een zekere Gerard Veldhuijzen en ene Cor (Koerts). Bij de overval op Vita ook Joop Dubbeldeman en Theo. Anderen deden af en toe of incidenteel aan een overval mee.
Joop Dubbeldeman was in 1943 vrijgekomen na een gevangenisstraf te hebben uitgezeten voor de brandstichting in 1942 in een lokaal van de WA, de paramilitaire tak van de NSB. Na zijn vrijlating had hij zich aangesloten bij de RVV en was leider geworden van een groep, bestaande uit enkele tientallen mannen en enkele vrouwen. Onder zijn leiding werden tal van overvallen gepleegd. In september 1944 sloot de RVV zich aan bij de Binnenlandse Strijdkrachten. Enkele maanden later ontstond er een conflict binnen de RVV en werd geprobeerd hem op een zijspoor te krijgen. Cees Piena kreeg de leiding over de RVV in BS-verband, maar Dubbeldeman bleef zelfstandig doorgaan. De overvalgroep-Dubbeldeman raakte door de arrestaties op 30 december twee van de belangrijkste leden kwijt, maar de overige leden van de groep bleven doorgaan.
Zowel de BS, de RVV als de groep van Dubbeldeman pleegden hun overvallen in beginsel op collaborateurs, zwarthandelaren of opslagplaatsen van goederen bestemd voor de Wehrmacht.
Cor Koerts, Joop Dubbeldeman en Dirk van Booren bleven uit handen van de politie. Over Gerard Velthuijzen is niets bekend. Vermoedelijk waren de drie Velthuijzens die op 5 januari 1945 werden gearresteerd familie van Gerard. Theo werd aangehouden na een overval met dodelijke afloop in maart 1945. Vader was lompenhandelaar en had een opslag in de Koestraat. Daar werden waarschijnlijk geroofde zaken tijdelijk opgeslagen.
Verschillende leden van de overvalgroep zijn vrijwel zeker nog bij andere zaken betrokken geweest, maar doordat de arrestanten op 9 januari 1945 door de Sipo/SD werden opgehaald eindigde het onderzoek abrupt.

Ondergedoken
Aan het begin van de verhoren van Flip en Nico vertelden ze allebei, dat ze in Duitsland hadden gewerkt. Flip, metselaar, vanaf 1 juni 1941 tot in mei 1943, Nico, betonwerker, vanaf 17 februari 1941 tot in maart 1943. Nadat hun verloftermijn was verstreken, waren ze niet meer teruggekeerd naar Duitsland en op die manier onderduiker geworden. Nico had nog wel zeven maanden in Limburg gewerkt. Allebei werden ze financieel ondersteund door de illegaliteit. Flip had een vals persoonsbewijs gekregen op naam van Johan Philip Holleman (die naam staat ook in het politierapport van de arrestatie op 30 december), maar hoe hij daar aan was gekomen vertelde hij niet: ‘per post toegezonden’ zei hij. Nico kreeg ook bonnen per post. Verder had Nico nog een ontslagbewijsje gekregen van de Organisation Todt. Daarnaast had hij zijn (eerste) distributiestamkaart teruggekregen met een stempel van het arbeidsbureau, een Tweede distributiestamkaart én was zijn persoonsbewijs voorzien van een zegeltje. Dat alles was geregeld door een zekere Brugman of Bernard, die woonde aan de Witte Singel 47.
We herkennen hier onmiddellijk de persoon van Lex Bernard, wiens organisatie inderdaad de genoemde papieren heeft verstrekt aan tientallen onderduikers. Dat wordt helemaal duidelijk omdat er in de administratie van de Nederlandse Verzets Organisatie (Zoals Bernard zijn groep noemde) een kartotheekkaart zit op naam van beide jonge mannen. Daaruit blijkt dat zij vanaf medio 1944 een financiële bijdrage kregen.

Vader Nico Hollebeek.
Op 3 januari 1945 werd vader Nico Hollebeek (Nicolaas, 1887) verhoord. Hij gaf verklaringen over de aanwezigheid van de in beslag genomen goederen. De armband Oranje was als grap bedoeld. Het valse persoonsbewijs van zijn zoon was per post gekomen. Het verhoor leverde geen ernstige beschuldigingen op. Hij had onderdak verschaft aan twee ondergedoken zonen en gestolen goederen in huis gehad. Daarom is het vreemd, dat hij zo zwaar is gestraft.

Gefusilleerd en concentratiekamp
De arrestanten werden op 9 januari 1945 onverwachts opgehaald door de Sipo/SD uit Rotterdam. Uit gegevens van Kamp Amersfoort blijkt, dat Vader Nico en zijn zoon Flip Hollebeek plus Nico Flanderhijn (1919) werden overgedragen aan de Feldgendarmerie en in het “Oranjehotel” in Scheveningen opgesloten.
Op 7 maart gingen ze alle drie op transport naar Kamp Amersfoort om van daar uit naar een concentratiekamp te worden gestuurd. Maarde aanslag op de höhere SS und Polizeiführer H.A. Rauter bij Woeste Hoeve zorgde voor een dramatische ontwikkeling. Een verzetsgroep had ’s nachts op een auto geschoten, onwetend van het feit dat de hoogste Duitse politiebaas in Nederland in die auto zat. Rauter overleefde de aanslag, zijn chauffeur en adjudant werden gedood. In de ochtend van 7 maart werden wraakmaatregelen gepland. De volgende dag werden in totaal 117 gevangenen geëxecuteerd. Op 8 maart stierven op de schietbaan van Kamp Amersfoort 49 mannen, onder wie Nico en Flip Hollebeek. Dat lot trof ook Theo Talboo en Jacob Keij uit Oegstgeest, die in januari 1945 voor andere zaken waren opgepakt. Nico Flanderhijn werd de 15e op transport gezet naar KZ Neuengamme, maar hij overleefde de oorlog. Adriaan Hollebeek werd naar Duitsland gezonden voor de arbeidsinzet en ook hij overleefde de oorlog. Wat er met de gearresteerde Velthuijzens is gebeurd is onbekend.

Interviews met twee daders
Begin jaren 80 van de vorige eeuw hebben studenten van de Leidse universiteit tientallen oud-illegale werkers geïnterviewd in het kader van een studieproject Ook in Leiden. Onder hen was Dirk van Booren, één van de mannen uit het groepje van zes dat op Oudjaarsdag werd opgepakt en weer werd vrijgelaten. Uit de verhoren van Flip en Nico blijkt, dat Van Booren aan de meeste overvallen had deelgenomen.
Van Booren vertelde dat hij was getipt dat er bij Hollebeek iets loos was. Daarom kwamen de zes op de 31e bij Hollebeek op bezoek. Mogelijk wilden ze de geroofde spullen meenemen, maar dat wordt niet vermeld. Volgens Van Booren werden in de woning van Hollebeek wapens gevonden.
Uit zijn verhaal wordt duidelijk, dat de politie een flinke slag heeft gemist door het groepje van zes te laten lopen. Net als vader en zoon Hollebeek maakten ze namelijk deel uit van een groep van de Leidse Raad van Verzet (RVV). Hun groepsleider was Cor Koerts (Van Booren noemde hem Koerte), wiens voornaam ook door Flip Hollebeek en Nico Flanderhijn werd genoemd.
In het interview vertelde Van Booren verder dat bij Hollebeek thuis regelmatig Poolse deserteurs uit het Duitse leger kwamen. Zij werden geholpen bij het vinden van een onderduikplaats. Hun uniformen en wapens konden door de groep worden gebruikt. Over deze hulp aan deserteurs zijn tot nu toe nog geen andere bronnen gevonden. Er is tijdens het verhoor van Nico Hollebeek niet over gesproken.
Ook een ander lid van de groep van Kooreman werd in 1982 geïnterviewd. Cornelis Hakkert had meegedaan aan de overval op café De Ster. Het valt op dat Hakkert zich in 1982 heel negatief uitliet over Dubbeldeman. Hij was ook bij de RVV-groep in de BS gebleven.

De arrestatie van Willie Kooreman
Volgens Van Booren hadden een paar leden van de RVV (dat wil zeggen: de groep van Dubbeldeman) op eigen houtje een ‘overvalletje’ gepleegd op een sigarenwinkel. Dat moet de overval op Kleinhans zijn geweest op de 27e. Daarbij hadden ze onder meer schaarse lucifers buitgemaakt. Toen Van Booren op de 31e werd gefouilleerd bleek hij een doosje van die lucifers op zak te hebben: ook deze doosjes hadden het beeldmerk van twee zwaarden. Zou hij zelf ook aan die overval hebben meegedaan? Hij vertelde er niets over.
Mogelijk zette de arrestatie van Van Booren de Sipo/SD op het spoor van sportschoolhouder Willie Kooreman. Van Booren werkte namelijk bij de sportschool van Kooreman aan de Nieuwe Rijn als instructeur jiu jitsu. Flip Hollebeek had verteld dat hij les had gehad van Van Booren. Er was al een link door de vondst van het markieslinnen. Kooreman werd op 5 januari 1945 aangehouden door de Feldgendarmerie, evenals een zekere Josef Dekkers. Dekkers werd op 6 januari heengezonden, maar Kooreman ging op de 9e mee met de groep van tien, evenals de drie Velthuijzens.
Aangezien de arrestanten van de 30e december samen met de drie Velthuijzens én Kooreman door de Sipo/Sd werden opgehaald moet de Feldgendarmerie of de Sipo/SD een verband hebben gezien tussen Kooreman en de andere arrestanten, iets wat duidelijk was geworden door de vondst van de lucifers. Het kan ook zijn, dat Kooreman al langer in de gaten werd gehouden door de Feldgendarmerie en/of de Sipo/SD omdat hij vele mensen kende en vele mensen hèm kenden als illegaal werker. Kooreman was chef-staf van de Leidse BS, nadat hij eerder sectiecommandant was geweest van de 3e sectie van de 1e stootcompagnie van de BS. Velen vonden dat Kooreman veel te graag praatte over illegale activiteiten. De commandant van de Leidse BS had hem om die reden weggepromoveerd van sectiecommandant tot chef-staf, maar dat had de zaak er niet beter op gemaakt. Bovendien werd de sportschool van Kooreman door tientallen BS’ers bezocht om te trainen. Kooreman belandde uiteindelijk in KZ Neuengamme, waar hij op 3 maart 1945 overleed.

De vrijlating
Van Booren trad na de oorlog in dienst van de Leidse politie en zou dat blijven tot aan zijn pensionering in december 1981. Hij heeft wel onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen van 30 en 31 december 1944, maar ófwel heeft hij er niets over kunnen vinden óf er verder niets over willen zeggen aan de student. Hij verzweeg dat hij zelf aan diverse overvallen had deelgenomen. Ook had hij het over ‘wapens’ die verborgen waren. Het proces-verbaal van de huiszoekingen vermeldt echter alléén het luchtdrukpistool of alarmpistool dat bij Hollebeek is gevonden en een dolkmes. Het blijkt maar weer eens dat latere interviews of gesprekken met de nodige voorzichtigheid moeten worden gelezen en geïnterpreteerd.
Van Booren vertelde in het interview ook nog, dat er die middag van de 31e een ‘geweldige hoeveelheid jongelui’ op het politiebureau werd binnengebracht. Zijn groepje van zes werd vrijgelaten tegelijk met die grote groep arrestanten. Volgens hem was dat het werk geweest van de agent Bruins, maar in het politierapport van die zondag is niets te vinden over een grote groep andere arrestanten. Misschien zijn ze inderdaad gematst door een politieman die wist wie ze waren.

Netwerkdraden
In het verhoor van Nico Flanderhijn kwam ter sprake, dat hij papieren had gekregen van Lex Bernard. Dat klopt met de naoorlogse de adminstratie van diens Nederlandse Verzets Organisatie (NVO). De familie Hollebeek kreeg vanaf mei 1944 financiële ondersteuning van NVO. Ook Nico Flanderhijn kreeg financiële steun vanaf mei 1944. Op de kaart in het NVO-archief staat, dat Hollebeek een ‘protegé’ was van J.W. van der Horst, die aan de Lorentzkade woonde. Het echtpaar Van der Horst-van der Rie zorgde voor onderduikers.

Verraad?
Het is tot op heden onbekend hoe de Sipo/SD op het spoor is gekomen van beide families. Zou er verraad zijn geweest? Er is nooit een naam van een tipgever of verrader genoemd. Volgens de processen-verbaal waren de huiszoekingen in de garage in de Hugo de Grootstraat en bij Hollebeek en Flanderhijn het gevolg van (anonieme) tips. Dat lijkt op verraad te wijzen, maar de Leidse politie beschikte ook over goede rechercheurs. Het is nu duidelijk dat er nogal wat mensen van de RVV, de NVO, van sportschool Kooreman en van de andere onderdelen van BS op de hoogte moeten zijn geweest, of op zijn minst een vermoeden hebben gehad dat veel overvallen werden gepleegd door het groepje oud-RVV’ers. De activiteiten van Dubbeldeman waren binnen een groot deel van de illegaliteit bekend en berucht.

Bronnen:
Archief van de gemeentepolitie Leiden;
Logboek derde sectie eerst stootcompagnie der B.S. te Leiden;
Diverse zoekresultaten op internet;
Interviews in het kader van het project Ook in Leiden.
Informatie van familie.

Aangevuld en gecorrigeerd op 10 januari 2022.