RK dagblad De Burcht (1945-1946)

Gepubliceerd op

Op 19 juni 1945 verscheen het eerste nummer van een geheel nieuwe rooms-katholieke Leidse krant De Burcht. Deze krant was opgericht om een groot gat in de katholieke nieuwsvoorziening op te vullen. De herverschijning van het katholieke dagblad  De Leidsche Courant was namelijk door het Militair Gezag verboden op grond van het Tijdelijk Persbesluit 1944.

Drie Leidse dagbladen verboden
Voor de Tweede Wereldoorlog verschenen er in de regio Leiden drie grote dagbladen met een sterk plaatselijk karakter. Tijdens de Duitse bezetting werden de ze alle drie getroffen door een verschijningsverbod. De Nieuwe Leidsche Courant, een kopblad van De Rotterdammer, werd in 1941 verboden. Begin januari 1944 verdween het Leidsch Dagblad. Daarvoor in de plaats kwam het Dagblad voor Leiden en Omgeving. Op 1 februari 1944 vonden de abonnees van De Leidsche Courant een ander dagblad in de bus, namelijk het Zuidhollands Dagblad. Beide kranten verschenen tot enkele weken voor de Bevrijding.

Na de Bevrijding mochten De Leidsche Courant en het Leidsch Dagblad niet direct opnieuw verschijnen, aangezien zij (wederom) werden getroffen door een verschijningsverbod. De Nieuwe Leidsche Courant daarentegen kon meteen de persen weer laten draaien. Het eerste naoorlogs nummer van het Leidsch Dagblad verscheen op 1 februari 1946, dat van De Leidsche Courant pas op 6 mei 1946. In de tussentijd was er in Leiden een ander rooms-katholiek dagblad verschenen, De Burcht. In dit artikel wordt ingegaan op het korte bestaan van De Burcht.

Tijdelijk Persbesluit 1944
Op 8 mei 1945 trokken de Canadezen en het Nederlandse Militair Gezag de stad binnen. De regering in Londen had bepaald, dat het burgerlijk bestuur na de Bevrijding voorlopig zou worden uitgeoefend door het Militair Gezag. In Leiden werd de reservemajoor mr. F. Bloemarts aangesteld als Militair Commissaris. Eén van de eerste zaken die door het Militair Gezag werd geregeld, was het inperken van de vrijheid van drukpers. De behoefte aan nieuws was enorm. Tijdens de laatste maanden van de oorlog werden er steeds meer illegale krantjes gedrukt en gestencild. Na de Bevrijding wilden de meeste bladen blijven verschijnen en de vooroorlogse bladen wilden opnieuw uitkomen. Er was echter niet genoeg papier en het Militair Gezag was beducht voor opruiende (communistische) bladen.

De Leidsche Courant en het Leidsch Dagblad vielen onder de werking van het Tijdelijk Persbesluit, dat in september 1944 door de Nederlandse Regering in Londen was uitgevaardigd. De regering had enigszins willekeurig 1 januari 1943 gekozen als datum om een scheiding aan te brengen tussen de bladen, die wel en die niet moesten worden gezuiverd. Bladen, waar van de uitgave vóór 1 januari 1943 was gestopt, kregen het voordeel van de twijfel. Omdat beide kranten na die datum waren blijven verschijnen, moesten ze eerst worden gezuiverd.

De toepassing van het Tijdelijk Persbesluit in het bevrijde zuiden van het land raakte bekend in het nog bezette gebied. Daarom kwam het verschijningsverbod, dat de beide Leidse kranten door het Militair Gezag kregen opgelegd in afwachting van de zuivering, bepaald niet onverwacht. De katholieken hadden zich er zelfs al op voorbereid.

September 1944: voorbereidingen voor een nieuwe krant
De voorbereidingen voor het verschijnen van een katholieke krant na de Bevrijding waren al tijdens de oorlog in gang gezet. Na de bekendwording van het Tijdelijk Persbesluit 1944 realiseerde men zich in de Leidse katholieke kringen dat, als er geen stappen werden ondernomen, er na de Bevrijding voorlopig geen apart katholiek regionaal dagblad zou verschijnen. Daarom werd het initiatief genomen tot de oprichting van een nieuw katholiek dagblad voor Leiden en omgeving met een ‘zuivere’ leiding en redactie.
De grote stimulator van dit plan was de geestelijke L.A.J.M. Beune (1886-1954), sinds 1934 rector van het Lidwina-huis aan de Zoeterwoudse Singel 33, een tehuis voor ‘achterlijke voogdijkinderen’, zoals dat toen heette. Naast zijn functie als rector had hij voor de oorlog leidende functies gehad in het katholieke jongerenwerk. Hij was moderator geweest (geestelijk adviseur) van het dagelijks bestuur van het Nationaal Verbond van de Katholieke Jonge Middenstandsverenigingen (KJMV), van het Bondsbestuur van de KJMV in het bisdom Haarlem en bij de Land- en Tuinbouwraad van de KJMV. Verder had hij zich ingezet voor de werklozenzorg, maar vooral voor de katholieke sportbeoefening. Beune was de oprichter van de rooms-katholieke sportvereniging DOCOS in 1936 en had de club vier jaar later gered van de financiële ondergang. In 1937 was er zelfs een ‘rector Beune wisseltrofee’ gekomen ter promotie van de rooms-katholieke sportbeoefening.
Rector Beune had tijdens de Hongerwinter een actie op touw gezet voor kindervoeding, die in de laatste maanden vrijwel de gehele stad omvatte. Ook had hij contacten gehad met de Leidse illegaliteit. In het Lidwinahuis was het eerste hoofdkwartier gevestigd geweest van de Binnenlandse Strijdkrachten. Volgens een latere mededeling van rector Herman Sondaal, over wie we hier na nog zullen spreken, was Beune de ‘geheime telefooncentrale’ geweest van het Leidse verzet. Deze rector Beune nu nam het voortouw bij de oprichting van de nieuwe katholieke krant.

Andere katholieke dagbladen
Toen de Bevrijding eenmaal een feit was, moest snel worden gehandeld. Aangezien er direct katholieke kranten werden uitgebracht, zoals De Volkskrant, De Tijd en Het Binnenhof uit Den Haag, dreigde de marktpositie van De Leidsche Courant te zijner tijd problematisch te worden. De terugkeer van Het Binnenhof was tijdens het laatste halfjaar van de bezetting goed voorbereid en onder leiding van hoofdredacteur F. Schneiders (oud-redacteur van De Leidsche Courant) werden pogingen ondernomen een editie in Leiden op te zetten. Het was dus zaak snel met een katholieke Leidse krant te komen om het vacuüm op te vullen. Van groot belang in deze situatie was het feit, dat het Persbesluit alleen van toepassing was op gedragingen tijdens de bezetting. Er werd besloten een geheel nieuwe krant op te richten met een geheel nieuwe leiding en redactie van mensen, die tijdens de bezetting geen journalistieke activiteiten hadden verricht. In katholieke kring werd gezocht naar representanten met een onbesmet of liever een ‘vaderlandslievend’ gedrag gedurende de bezetting. Onder leiding van de deken van Leiden, A. Homulle, was in mei 1945 (wellicht al veel eerder) een commissie gevormd met daarin een aantal aansprekende namen, die (om maar een modern begrip te gebruiken) als een stuurgroep zou moeten fungeren. Deze commissie zond op 27 mei een brief aan het Militair Gezag, waarin gevraagd werd om toestemming voor het oprichten van een katholiek dagblad.

Een folder
Om de katholieke bevolkingsgroep op de hoogte te brengen van de komst van een katholiek dagblad trad deze commissie eind mei naar buiten met een folder, gericht aan de katholieke bevolking. Vermoedelijk is deze folder in de kerk verspreid, maar wellicht ook bij alle katholieken thuis bezorgd. In de folder stond het advies om, zolang er geen katholiek dagblad was, zich te abonneren op het Mededelingenblad, dat tijdelijk werd uitgegeven door de gezamenlijke voormalige illegale pers. Daarbij zouden zij dan ook de wekelijkse uitgave van Herrijzend Nederland ontvangen. Dat was een oud-illegaal blad, waarvan de redactie ook katholiek was en de aspiratie had een heuse krant te gaan uitgeven.

De folder werd ondertekend door deken Homulle ‘namens de geheele Katholieke Geestelijkheid’ en door een groep leken ‘namens de Katholieke bevolking’. De ondertekenaars vormden een zeer gemengd geheel van meer en minder bekende katholieken. Dezelfde mensen hadden het verzoek aan het Militair Gezag van 27 mei ondertekend. Al deze mensen waren afkomstig uit katholieke organisaties. Een aantal van hen was (voor zover bekend) actief geweest in de illegaliteit.

Wilmer en De Leidsche Courant in de oorlogsjaren
De oprichters van het nieuwe rooms-katholieke dagblad hebben zich gerealiseerd dat de rol van De Leidsche Courant tijdens de bezetting omstreden was, in het bijzonder die van de hoofdredacteur mr. Th.B.J. Wilmer. Om dit te kunnen begrijpen moet diens rol tijdens de bezetting nader worden toegelicht.
In tegenstelling tot tegenwoordig had de gemiddelde regionale krant voor de oorlog maar een paar redacteuren in dienst. De kopij werd betrokken van persbureaus. Plaatselijk en regionaal nieuws werd verzorgd door enkele verslaggevers of correspondenten.
In 1940 had Wilmer al een lange staat van dienst. Hij was in 1911 bij de krant in dienst getreden en in 1915 tot hoofdredacteur benoemd. Sinds 1917 zat hij voor de R.K. Staatspartij in de Leidse gemeenteraad en hij had diverse functies in katholieke organisaties bekleed. Redacteur mr. H.F.A. Geise was vóór de oorlog voorzitter geweest van de RK Journalistenvereniging (RKJV) tot de opheffing in 1941. Redacteur F.I.M. Schneiders was secretaris geweest van dezelfde vereniging. Directeur van de NV Handels- en Courantendrukkerij De Leidsche Courant was sinds 1929 C.M. van Hamersveld. De Raad van Commissarissen bestond uit een aantal katholieke notabelen, onder voorzitterschap van Th. Bergers, slager van beroep, die vanaf 1923 lid was van de gemeenteraad voor de RK Staatspartij. De Leidsche Courant was dus nauw vergroeid met het katholieke volksdeel.
De drukkerij was gevestigd aan de Papengracht op nummer 32.

Hoofdredactionele commentaren
Wilmer trok in 1940 (na de capitulatie) en 1941 de aandacht wegens enkele hoofdredactionele commentaren, waarin hij volgens zijn critici te veel begrip toonde voor de politiek van de bezetter en de NSB. Zoals hierna nog aan de orde komt kreeg Wilmer na zijn benoeming tot wethouder in juli 1945 met deze verwijten te maken, wat leidde tot zijn voortijdig vertrek. Daarnaast moest hij zich voor deze commentaren in februari 1946 verantwoorden voor de Commissie van de Perszuivering.
Vanaf 1941 moesten journalisten zich krachtens het Journalistenbesluit verplicht inschrijven in het beroepsregister. Wie niet in dat register was ingeschreven mocht geen journalistiek werk verrichten. De toezichthouder was de Vereniging van Nederlandse Journalisten (VNJ), een mantelorganisatie van de NSB. Alle medewerkers van De Leidsche Courant werden lid van de VNJ.

Titus Brandsma
Binnen de steeds smaller wordende marges die door de Nederlandse overheid en de Duitse instanties werden toegestaan, bleef de krant verschijnen. Het episcopaat hoopte op deze manier de katholieke lezers zo lang mogelijk aan een katholiek dagblad te kunnen binden. De gedwongen opname van advertenties van de NSB en aanverwante organisaties in december 1942 was echter voor het episcopaat (de gezamenlijke bisschoppen) onaanvaardbaar. Na overleg met aartsbisschop J. de Jong bezocht pater Titus Brandsma O.P., sinds 1935 geestelijk adviseur van de RKJV, in januari 1943 de redacties van de katholieke dagbladen met instructies: de redacties moesten de aangeboden advertenties weigeren. Vele redacties, waaronder die van De Leidsche Courant, verklaarden zich akkoord met dat standpunt. Brandsma werd kort daarop gearresteerd; hij overleed nog datzelfde jaar in concentratiekamp Dachau. De NSB trok de aangeboden advertenties terug. Gedurende de oorlog heeft de NSB geen advertenties meer aangeboden, maar andere nationaalsocialistische organisaties bleven regelmatig in de kranten adverteren.

Redacteur Schneiders, die als pseudoniem jarenlang ‘Troubadour’ gebruikte en schrijver was van de column ‘Momentje’, vertrok in 1943. Geise en Wilmer bleven aan het werk ondanks toenemende kritiek op hun functioneren. Enerzijds lagen zij onder vuur vanuit hun eigen katholieke kring. Anderzijds nam de druk vanuit de VNJ toe om nog meer de propagandistische koers te gaan varen.
Na het opgaan van De Leidsche Courant in het Zuidhollandsch Dagblad in februari 1944 bleef Wilmer hoofdredacteur van die krant, totdat hij op 13 april 1944 uit het register van de VNJ werd geschrapt en dientengevolge werd ontslagen. De nieuwe krant werd gedrukt op de persen van De Leidsche Courant. Directeur C. van Hamersveld behield de zakelijk leiding tot aan de Bevrijding.

Verdediging van Wilmer
De bovenbedoelde folder besteedde ruim aandacht aan de ontwikkelingen rond Wilmer tijdens de bezetting. De brief inzake de verwijdering van Wilmer uit het register van de VNJ was in de folder opgenomen, zodat het grote publiek die kon lezen. Volgens het VNJ had Wilmer ‘stelselmatig’ geweigerd ‘over actueele onderwerpen volksvoorlichtende beschouwingen te geven in positieven zin’ en in die houding ondanks ‘terechtwijzingen’ volhard.

Volgens de folder was er voor een positieve waardering van de daden van de redactie van De Leidsche Courant wel wat te zeggen. De tekst noemde drie punten:
1. de redactie had ‘nimmer op eigen verantwoordelijkheid iets gepubliceerd dat de belangen van kerk of vaderland kon schaden’
2. de bisschop van Haarlem, mgr. J. Huibers, had in januari 1944 zijn waardering uitgesproken voor het beleid van hoofdredacteur Wilmer
3. ‘binnenskamers’ was vaak scherpe strijd gevoerd tegen de eisen van de ‘nieuwe orde’.

Een exemplaar van deze folder bevindt zich in het persoonlijk archief van de bekende Leidse verzetsman Lex Bernard. Hij had duidelijk minder positieve gedachten toen hij de folder onder ogen kreeg, getuige de aantekeningen, die hij met potlood in de marge schreef. Bij de ondertekening ‘namens de Katholieke bevolking’ schreef hij: ‘wie geeft hun dat recht?’ en bij het hierboven genoemde punt 1: ‘geweldig’. Bij deze zin in de folder ‘Het Katholieke belang als zodanig eischt niet, dat De Leidsche Courant zonder meer in haar oude vorm terugkomt.’ noteerde hij: ‘Integendeel. Het Kath. Belang eist dat de L.C. verdwijnt voorgoed’. Vermoedelijk was het standpunt van Bernard in deze kwestie geen uitzondering. Sterk punt voor Wilmer was uiteraard de waarderende brief van de bisschop. Ook die brief (datum 15 januari 1944) was in de folder afgedrukt. Samengevat kan worden gezegd, dat de folder de verdediging inhield van het beleid van De Leidsche Courant tijdens de oorlogsjaren. Een terugkeer van die krant na de zuivering lag dan ook in de lijn der verwachtingen. En tot die tijd zou er een vervangend katholiek blad komen.

Herrijzend Nederland
Beune vormde (waarschijnlijk als enig persoon) de Katholieke Perscommissie. In deze hoedanigheid toog hij naar Den Haag, vergezeld van Joop Siebelt en Jan van Ulden, voor een onderhoud met kapitein Govers over het plan voor een nieuw katholiek dagblad.
Na enkele gesprekken gaf Govers toestemming tot het laten verschijnen van een zelfstandig katholiek blad per 1 juni 1945. Het was daarbij uitdrukkelijk de bedoeling dat deze krant te zijner tijd weer in een gezuiverde De Leidsche Courant zou opgaan. Hoe men aan de naam voor de nieuwe krant is gekomen is verder niet bekend, maar die stond al direct vast.

Er moest nog wel een hobbel worden genomen. In Leiderdorp en Zoeterwoude Rijndijk was in 1944 tot aan de Bevrijding een illegaal blad verschenen onder de titel Herrijzend Nederland. De makers van Herrijzend Nederland waren ook rooms-katholiek en wilden met het blad na de Bevrijding doorgaan. Op 23 mei diende de redactie een verzoekschrift in bij het Militair Gezag voor een vergunning. Als oud-illegaal blad had men daar in beginsel ook het recht toe, maar dan zouden er twéé katholieke bladen komen. Geconfronteerd met dit probleem stelde Govers als tweede voorwaarde in de vergunning om met een katholiek dagblad te mogen uitkomen, dat er met Herrijzend Nederland moest worden samengewerkt. Om die reden nodigde Beune de vertegenwoordigers van beide partijen uit voor een overleg op 6 juni. Aanwezig voor Herrijzend Nederland waren de redacteuren G. Samson, André de Rijck en J. Stijnman. Voor De Burcht zaten Jan van Ulden en Joop Siebelt aan tafel. Verder was nog aanwezig Jan van Stralen, tijdens de oorlog redacteur van het illegale blad Kroniek van de Week en nu lid van het Militair Gezag.

Wat er precies is besloten is naderhand onderwerp van discussie geworden. Beune schreef hierover op 7 juni een brief aan kapitein Govers. Volgens Beune was er gesproken over een voorstel van de Perscommissie (hemzelf dus) om mr. C. van Haren (advocaat te Wassenaar) namens Herrijzend Nederland op te nemen in de hoofdredactie van het blad. Tevens zou de nieuwe krant De Burcht gaan heten, maar als ondertitel dragen: ‘waarin opgenomen Herrijzend Nederland’. Nog steeds volgens Beune was Herrijzend Nederland met dit voorstel akkoord gegaan, mits de niet aanwezige heer Van Haren er mee zou instemmen. Inderdaad was Van Haren met het voorstel, dat hem door Beune ook op 7 juni was voorgelegd, akkoord gegaan. De redactie van Herrijzend Nederland moest het verlies accepteren. Pogingen naderhand een eigen blad uit te geven bleven zonder resultaat. Nog op 9 maart 1946 diende G. Samson een aanvraag in voor een Certificaat van geen bezwaar om Herrijzend Nederland opnieuw te kunnen uitgeven.

Toen de genoemde folder verscheen waren de voorbereidingen voor de nieuwe krant al in volle gang. Het Militair Gezag had in de vergunning bepaald dat er geen enkel contact mocht zijn tussen De Burcht en De Leidsche Courant. Daarom werd voor het drukken van de krant gebruik gemaakt van de persen van het Leidsch Dagblad. Deze drukkerij was weliswaar gevorderd door het Militair Gezag maar inmiddels weer aan het werk voor gewoon drukwerk, net als overigens de drukkerij van de Leidsche Courant. De Burcht huurde voor het technische personeel twee lokalen in het gebouw van het Leidsch Dagblad. De redactie en administratie vestigden zich in een ruimte boven de kledingzaak De Faam aan de Hoogstraat.

19 juni 1945: het eerste nummer van De Burcht verschijnt
RK dagblad De BurchtOp dinsdag 19 juni verscheen het eerste nummer van De Burcht. In tegenstelling tot wat was afgesproken, ontbrak de ondertitel ‘waarin opgenomen Herrijzend Nederland’. Op welke wijze en op welk moment de naam voor de krant is gekozen, blijft onbekend. De naam lijkt uiteraard erg Leids, maar er was ook een katholieke betekenis. Katholieken zingen over het algemeen niet zo vaak psalmen, zodat een directe ontlening aan de befaamde Luther-psalm ‘Een vaste burcht is onze God’ (Psalm 46) niet het eerst voor de hand liggend zal zijn geweest.
Maar een ‘burcht’ was in het vooroorlogse katholieke leven de benaming van het clubhuis van de jeugdbeweging voor jongens de Kruisvaart. In Leiden waren er drie burchten, in de Anna Paulownastraat (de achterkant van de dekenale kerk aan de Herensingel), Garenmarkt 36 en het St. Antoniusclubhuis aan de Mare 43. Rector Beune was, zoals we zagen, goed bekend met het katholieke jeugdwerk.

In het colofon stonden vermeld als directeur G. van Elburg en als hoofdredacteuren rector H. Sondaal en de advocaat Mr. C. van Haren uit Wassenaar. Zij waren alle drie actief geweest in de illegaliteit. Van Elburg had valse papieren gedrukt en Van Haren was redacteur geweest van Herrijzend Nederland. Sondaal was rector van Huize Duinzicht in Oegstgeest en was waarschijnlijk tijdens de oorlog betrokken bij het ondersteunen van onderduikers. Beune en Sondaal kenden elkaar zeer goed.

In de eerste weken bleek dat er wel degelijk een behoefte was aan een katholiek dagblad. De pastoors en kapelaans spoorden de bevolking aan abonnee te worden en er werd een collecte gehouden. Het aantal abonnees steeg snel tot bijna 11.500. Op het hoogtepunt waren dat er ruim 12.000, net zoveel als De Leidsche Courant vóór de oorlog had gehad.

Gebed van een Amerikaansch soldaatGebed van een Amerikaansch soldaat
Het eerste nummer bestond uit één blad. Op pagina 2 stond een een opvallende tekst afgedrukt: ‘Gedicht gevonden op ’t lijk van een Amerikaansch soldaat’. Een aantal jaren geleden kon ik voor een luttel bedrag een exemplaar kopen van het originele gebed. Het blijkt te zijn uitgegeven door St. Laurens in Rotterdam. Het meet 25 bij 32 centimeter en is gedrukt in twee steunkleuren. De bovenste helft bevat de tekst in het Engels en daaronder de vertaling in het Nederlands. De tekst is omkaderd door illustratief werk van een zekere Ellie Wessels.
In de krant verscheen alleen de Nederlandse vertaling. Curieus natuurlijk dat een dagblad zo’n tekst opneemt, maar misschien was het een noodgreep om het blad vol te krijgen. Niemand van De Burcht had ook maar enige ervaring met het maken van een dagblad.

Wanneer men De Burcht inhoudelijk vergelijkt met de vooroorlogse Leidsche Courant kan men niet anders concluderen, dan dat De Burcht inhoudelijk een regelrechte voortzetting van De Leidsche Courant is geweest. De criticasters hadden dat snel door. In een brief aan Van Haren beklaagde G. Samson (van Herrijzend Nederland) over de eng-katholieke geest, die uit het blad oprees: ‘De krant is voor een niet-katholiek ongenietbaar’. Maar voor die mensen was de krant nu eenmaal niet bestemd. Maar ook katholieken hadden zo hun bedenkingen tegen deze ouderwetse krant.

Redactie
Als redacteuren van de krant werden vermeld Joop Siebelt (Joop van A.C.) en prof. dr. W. Asselbergs (Anton van Duinkerken). Die laatste naam was wel heel opmerkelijk. Dat Asselbergs, bekend katholiek, hoogleraar Vondelstudies aan de Leidse universiteit, nu werkelijk redacteur zou gaan worden was natuurlijk niet de bedoeling. Beune had hem gevraagd af en toe columns te schrijven. Zijn medewerking kon van belang zijn om aandacht te trekken en om wat glans te geven aan het nieuwe dagblad. De andere medewerkers mochten dan wel illegaal actief zijn geweest, ze waren juist daardoor bij de bevolking niet bepaald bekend.
Anton van Duinkerken was vóór de oorlog jarenlang het ‘boegbeeld’ geweest van het katholieke dagblad De Tijd en had in die krant en in andere publicaties openlijk het nationaalsocialisme bestreden. In december 1935 had hij in De Tijd het beroemde anti-Mussertgedicht ‘Ballade van den katholiek’ gepubliceerd. Het jaar er op had hij korte tijd zitting genomen in het Comité van Waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen. Eind mei 1945 zal nog nauwelijks bekend zijn geweest dat hij als gijzelaar geïnterneerd was geweest in St. Michielsgestel en dat hij had meegewerkt aan het illegale blad Christofoor.

Juist onder de lezers van dat blad wekte de medewerking van Asselbergs aan De Burcht verbazing. Het blad Christofoor was een voorstander van de zgn. ‘doorbraakgedachte’, die tijdens de oorlog in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel was ontstaan: iedereen had de vrijheid zelf een politieke partij te kiezen, los van zijn geloofsovertuiging. Van Duinkerken had ook al vóór de oorlog veel contacten buiten de katholieke kring gehad. Zijn medewerking aan het ‘klerikale’ dagblad De Burcht paste daar absoluut niet bij.

Asselbergs besefte dat ook en heeft maar twee bijdragen geschreven. Op 26 juni raakte hij betrokken bij een ernstig auto-ongeval. Vanaf zijn ziekbed liet hij weten niet meer aan De Burcht te willen meewerken omdat de koers van het blad hem niet aanstond. In het tijdschrift Christofoor verscheen in juli en augustus een redactionele verklaring over deze zaak. Asselbergs had opgezegd, omdat De Burcht weliswaar katholiek was, maar ook een ‘propaganda-orgaan voor een bepaalde politieke richting die onder de hedendaagse Nederlandse katholieken niet meer algemeen aanvaard wordt’. Leidse katholieken hadden dit niet goed kunnen begrijpen en Asselbergs hier op aangesproken.
Beune, geschrokken van Asselbergs’ opzegging, bezocht daarop de redactie van Christofoor in Amsterdam en kwam tot de ontdekking, dat men daar nog nooit een exemplaar van zijn krant had gelezen. Beune schreef een brief aan Asselbergs, waarop deze liet weten dat hij toch wel wat ‘abrupt’ had gereageerd en dat ze er maar eens over moesten praten. Volgens Beune moesten de aanstichters van dit relletje worden gezocht in de kringen van Herrijzend Nederland, maar details gaf hij niet. Aan Asselbergs’ medewerking was desondanks een einde gekomen.

De krant draait, maar er zijn problemen
De redactie werd van meet af aan geconfronteerd met praktische problemen. Het werd het in het verzuilde Nederland als een probleem ervaren, dat De Burcht bij een niet-katholieke drukkerij werd gedrukt. Begin augustus werd wederom contact gezocht met de Commissarissen van NV De Leidsche Courant. Beune schreef op 9 augustus naar aanleiding van een overleg aan zijn medebestuursleden dat de commissarissen De Burcht wel wilden drukken als drukorder, maar de redactie en de directie de toegang tot het pand ontzegden. Formeel was dat geheel in lijn met de voorwaarde, die het Militair Gezag in zijn vergunning aan De Burcht had gesteld: géén contact, persoonlijk noch materieel met De Leidsche Courant. De situatie werd acuut toen het Leidsch Dagblad de huur van de twee ruimten aan de Oude Rijn opzegde met een termijn van 14 dagen. Vandaar dat Beune op 18 augustus een brandbrief schreef aan de voorzitter van de Persraad (in oprichting) dr. C. Beekenkamp.
Beekenkamp was in Leiden welbekend. Vóór de oorlog had hij vanaf 1931 in de Leidse gemeenteraad gezeten voor de ARP en in juli 1945 was hij, tot zijn overstap naar de Persraad met ingang van 1 augustus, enkele weken wethouder van Leiden geweest.
Zou het niet mogelijk zijn om tóch naar het kantoor van De Leidsche Courant te verhuizen? Er moesten dan wel twee problemen worden opgelost. Allereerst lag er het ‘contactverbod’ met De Leidsche Courant. Dat was moeilijk te handhaven in één gebouw. Een groter probleem was echter dat de directie van NV De Leidsche Courant het personeel van De Burcht categorisch de toegang tot het gebouw weigerde.

Beekenkamp hakte snel de knoop door. Enkele dagen later stelde hij Beune er van op de hoogte, dat de minister van Binnenlandse Zaken ruimte bij De Leidsche Courant vorderde ten behoeve van De Burcht. Daarmee werd het huisvestingsprobleem opgelost, maar begon tevens een moeizame ‘cohabitation’, die in ieder geval door Van Hamersveld, directeur van de handelsdrukkerij, met alle mogelijke middelen werd bemoeilijkt. Dat ging zo ver, dat het toilet van De Leidsche Courant op slot ging en het toilet van De Burcht niet werd gerepareerd. Van Hamersveld was ook voor het eigen personeel niet gemakkelijk in de omgang. De Leidsche Courant schreef na zijn overlijden op 2 april 1968: ‘Hij had een merkwaardig karakter, dat wat stroef en onvriendelijk leek, terwijl iedereen wist dat hij het beste met de mensen voorhad en in zijn besluiten strikt eerlijk was.’

Daarnaast waren er nog andere problemen. Eigenlijk was de omvang van de redactie, redacteur Joop Siebelt en medewerkster Fien Schermer Voest, veel te klein. Het personeel van de drukkerij deed wat het moest doen, maar meer ook niet. Van Elburg constateerde dat de drukkerij ook wel ernstig verouderd was. Daarnaast functioneerde hoofdredacteur Van Haren maar matig. Hij was slechts enkele uren per week aanwezig tegen een fors honorarium en hij schreef veel te moeilijk. De Burcht was een krant voor ‘boeren en buitenlui ‘ en die zouden zijn artikelen waarschijnlijk niet begrijpen. Verder leverde ook de aard van de advertenties problemen op. Men haalde weliswaar een flinke omzet van ruim f. 8000 uit de advertenties voor dansavonden, filmvoorstellingen en bokswedstrijden maar dat strookte toch niet met het katholieke uitgangspunt. Ten aanzien van de huwelijksadvertenties werd in de bestuursvergadering van 6 oktober 1945 besloten: ‘Huwelijksadvertenties zullen alleen worden opgenomen als daar een verklaring van een geestelijke bij is. Men is er dan zeker van dat de advertentie serieus is’.
Het allereerste accountantsrapport van begin november over drieëneenhalve maand was gunstig: er was een winst gerealiseerd van ruim f. 8.500.

Gedurende het hele bestaan is de feitelijke positie van De Burcht voor de buitenstaander onduidelijk gebleven: was het nu een vermomde Leidsche Courant of een zelfstandige katholieke krant? De tweeslachtige publiciteit rond de start had deze twijfel veroorzaakt. Nu de redactie in hetzelfde gebouw was gehuisvest, was het voor de buitenstaander helemaal moeilijk geworden om de nuances te zien. Zeker omdat de krant geen inhoudelijke vernieuwing vertoonde.

De houding ten opzichte van de persoon van Th. Wilmer maakte het er niet beter op. Vooruitlopend op nieuwe verkiezingen werden er in juli 1945 twee nieuwe wethouders benoemd, Wilmer en Beekenkamp, die zoals we zagen, per 1 augustus benoemd werd tot voorzitter van de Persraad. In november 1945 werd een nieuwe, tijdelijke gemeenteraad gevormd. De raad werd gedeeltelijk samengesteld uit mensen die hun sporen in de illegaliteit hadden verdiend. Daarnaast keerden ook enkele politici, die al vóór de oorlog in de raad hadden gezeten weer terug.
De benoeming van Wilmer tot wethouder leidde tot heftige kritiek. In de plaatselijke pers, zoals De Kroniek en mogelijk ook de plaatselijke edities van De Waarheid en Het Parool, werd kritiek geuit op de houding van Wilmer en de artikelen, die hij tijdens het eerste jaar van de bezetting had geschreven. Volgens de kritiek was Wilmer veel te meegaand geweest en had hij veel te positief geschreven over de NSB en de Duitse propaganda toen dat nog niet nodig was geweest.

Het Parool had al in augustus kopieën van de gewraakte artikelen naar de Grote Adviescommissie der Illegaliteit gestuurd. Wilmer zag uiteindelijk af van zijn wethouderschap maar zou na de verkiezingen in 1946 in de raad terugkeren.

De Burcht nam het in redactionele commentaren op voor de persoon van Wilmer, waarmee de verdenking van sympathie alleen maar werd versterkt. Inderdaad stond Beune uit praktische overwegingen niet helemaal afwijzend tegenover de persoon van Wilmer, met wie hij redelijk overweg kon, maar hij heeft het effect van de coulante houding onderschat. Ongetwijfeld was deze handelwijze het gevolg van een groot respect voor de persoon van Wilmer, veel goede bedoelingen en misschien een door de kerk gepropageerde barmhartigheid, maar tactisch was het uiterst onverstandig. Wilmer had het bij De Leidsche Courant niet voor het zeggen en hij speelde geen doorslaggevende rol. Bovendien wenste hij terug te keren als hoofdredacteur van die krant.

De zuivering van De Leidsche Courant
De taken van het Militair Gezag met betrekking tot de pers werden met ingang van 1 augustus 1945 overgedragen aan de Afdeling Perszaken het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Beekenkamp werd hoofd van deze afdeling.
Op 18 september trad een nieuw Tijdelijk Persbesluit in werking (TP ’45). De eerder aangekondigde Perscommissie zou er niet komen, maar daar voor in de plaats werden twee nieuwe organen in het leven geroepen. De Commissie voor de perszuivering (CPZ) zou de eigenlijke zuivering moeten doorvoeren. De Commissie fungeerde feitelijk als onderzoeker, aanklager en rechter tegelijk. Hoofd van de afdeling recherche werd kapitein A. Govers. De CPZ had nog een tweede taak gekregen. Iedereen, die in een journalistieke functie werkzaam wilde zijn, moest bij de CPZ een certificaat aanvragen. Dat werd slechts verstrekt nadat een onderzoek geen noodzaak tot vervolging had opgeleverd. Door de overstelpende hoeveelheid aanvragen liep de verstrekking echter grote vertraging op; pas na maanden werden de eerste certificaten uitgereikt. De aanvraag voor certificaten voor De Leidsche Courant werd door de CPZ aangehouden.

Naast de CPZ kwam de Persraad, die de materiële zaken rond de verschijning van de pers zou gaan regelen, zulks in afwachting van een nog te verschijnen Perswet. Voorzitter werd Beekenkamp, die dit merkwaardig genoeg bleef combineren met zijn ambtelijke functie. Formeel was die functie weliswaar beperkt tot het bieden van ondersteuning aan beide nieuwe organen, maar door de combinatie met het voorzitterschap van de Persraad was hij in korte tijd een invloedrijke persoon geworden.
Vrijwel direct na zijn benoeming begon hij openlijk en soms ook minder openlijk oppositie tegen de CPZ te voeren. In de ogen van Beekenkamp moest de zuivering snel worden doorgevoerd, zodat de materiële belangen van de eigenaren niet zouden worden aangetast. Politiek was dit trouwens een zeer gevoelig onderwerp, dat de regering in 1946 verdeeld zou houden. Kern van het probleem was, dat in het TP ’45 de eigenaren van de pers buiten de zuivering zouden blijven, terwijl ze tijdens de bezetting wellicht een minstens zo onvaderlandse houding hadden gehad als de redacteuren en verslaggevers, die wél ter verantwoording werden geroepen.

Op 2 en 23 februari vond de zitting van de CPZ betreffende De Leidsche Courant plaats. De CPZ behandelde de zaken niet per persoon, maar per onderneming. Opgeroepen waren de negen commissarissen, de hoofdredacteur, redacteur Geise, de directeur en het hoofd van de advertentieafdeling. De krant werd vertegenwoordigd door de Haagse advocaat L.G. Kortenhorst, die op dit gebied bezig was een bijzondere reputatie op te bouwen.

Kortenhorst was vanaf 1925 lid van de Tweede Kamer voor de RK Staatspartij en na de oorlog voor de KVP. Een partijgenoot van Wilmer dus. Naast zijn kamerlidmaatschap had hij nog tal van nevenfuncties. Zo was hij president-commissaris van het katholieke dagblad Het Binnenhof in Den Haag. Frans Schneiders, oud-columnist van De Leidse Courant en oud-medewerker van de illegale Arbeidscentrale, was daar hoofdredacteur van geworden. Kortenhorst verdedigde als advocaat verschillende prominenten tegen de beschuldiging van economische collaboratie.

De zitting
Wilmer en Geise werden op de zitting geconfronteerd met zeventien door hen geschreven artikelen (commentaren), die in 1940 en 1941 in De Leidsche Courant waren verschenen en waartegen de CPZ ‘bezwaar’ maakte wegens hun onvaderlandslievend karakter. Van Hamersveld werd aansprakelijk gesteld voor het plaatsen van advertenties van ‘foute’ instanties, die hij had kunnen weigeren. De commissarissen hadden kunnen ingrijpen, maar hadden dit niet gedaan.
De aanpak van de procedure door de advocaat was misschien min of meer te voorspellen geweest, maar Kortenhorst speelde in zijn verdediging van Wilmer een belangrijke troef uit. In een nota van 7 februari 1945 wees hij de Commissie er op, dat de bisschop van Haarlem mgr. Huibers hem op 30 januari 1946 schriftelijk had verklaard nog steeds achter zijn brief van 15 januari 1944 te staan. Wilmer had gewoon gedaan wat de bisschop hem had gevraagd. Wanneer de CPZ Wilmer zou veroordelen, zou dat tevens een veroordeling van het beleid van de bisschop inhouden. Volgens die redenering vervielen dan natuurlijk ook de bezwaren tegen de overige beklaagden.

In de necrologie, die op 21 februari 1950 in De Leidsche Courant van Wilmer verscheen werd het zo geformuleerd: ‘dat de hoofdredacteur in nauw overleg met de hoogste ‘vaderlandse’ kringen … het voortbestaan van de krant moest kiezen als een kleiner kwaad om de invloed van groter kwaad te verzwakken.’

Nog vóór de eerste zittingsdag had de bisschop op een nog veel directere manier geïntervenieerd door rector Beune te ontheffen van zijn functie als censor van De Burcht en hem te benoemen tot pastoor in Bloemendaal. Voor Beune betekende dit een mooie promotie, maar door deze ingreep werd het bestuur van de Stichting De Burcht beroofd van zijn drijvende kracht. Het was duidelijk dat de bisschop hiermee krachtige signalen afgaf ten gunste van de terugkeer van De Leidsche Courant.

Het vertrek van Beune moet bij het bestuur grote teleurstelling, misschien wel verslagenheid teweeg hebben gebracht. Daarbij kwam dan nog de verdediging van Wilmer door de bisschop persoonlijk. Daags na de eerste zitting schreef A. van der Horst namens het bestuur (zonder Beune uiteraard) een woedende brief van acht kantjes aan de bisschop, wat men van volgzame katholieken niet gauw zou verwachten. De bisschop zal verbaasd hebben opgekeken. Alle frustraties kwamen er uit.
De grieven tegen de houding van de directie van De Leidsche Courant sedert mei 1945 waren grotendeels van praktische aard, maar De Burcht voelde zich door de bisschop zeker in de steek gelaten ten gunste van mensen, die tijdens de bezetting een kwalijke rol hadden gespeeld. Terwijl de gewone man, opgeroepen door de bisschoppelijke brieven die van de kansel waren voorgelezen, door een principiële houding offers hadden moeten brengen, was Wilmer blijven zitten en had goed verdiend aan de advertenties van de nationaalsocialistische propaganda. De Leidsche Courant had ook nationaalsocialistisch drukwerk vervaardigd. In de brief werd gezinspeeld op een kwestie, die waarschijnlijk vrij gevoelig heeft gelegen: ‘Wilmer is meermalen door priesters en leeken gewaarschuwd: “het gaat zo niet langer, ga toch heen, stop met dit geschipper” ’. De brief heeft hier ongetwijfeld de persoon van Titus Brandsma op het oog gehad.

Rond deze tijd vond een gesprek plaats tussen de bisschop en het Bureau Perszaken, in de persoon van Beekenkamp. Die schreef namelijk op 14 februari een brief aan de bisschop waarin hij nog eens schriftelijk bevestigde wat hij in hun onderhoud (de brief noemt geen dag of datum), waarbij ook Govers als getuige-deskundige aanwezig was geweest, had verklaard over het ontstaan van De Burcht. Beekenkamp benadrukte dat De Burcht een zelfstandige verschijningsvergunning had. Alleen door overleg kon samenwerking tot stand komen. Vermoedelijk besefte men dus al vóór de einduitspraak (zelfs tijdens de procedure) wat de uitkomst zou zijn. Waarschijnlijk heeft men daarom besloten een bemiddelingspoging te wagen. Daarvoor werd pater H. Gall M.S.C. gevraagd. Pater Gall was in dit veld goed ingevoerd. Net als Asselbergs was hij in februari 1944 lid geweest van de bisschoppelijke commissie die moest adviseren over de wederopbouw van de naoorlogse katholieke pers. Beiden hadden overigens als gijzelaar in het Seminarie Beekvliet in St. Michielsgestel gezeten. Gall was inmiddels lid van de Persraad.

Door de interventie van de bisschop had De Leidsche Courant nu een sterke troef in handen. In een harde confrontatie zou De Burcht ongetwijfeld het onderspit delven. Na de herverschijning van De Leidsche Courant zouden er twee katholieke kranten zijn. Maar De Leidsche Courant had de steun van de bisschop, de outillage en het kapitaal, De Burcht had niets en het was duidelijk dat dit niet zou veranderen. Bij De Burcht besefte men dat het gedaan was met de zelfstandigheid en moest men zien, dat er een gunstige oplossing zou komen.

Uitspraak
Op 8 maart kwam de uitspraak van de CPZ. Tegen het hoofd van de advertentieafdeling werd geen maatregel genomen, aangezien hij een zeer onzelfstandige functie had gehad. De commissarissen, Wilmer en Geise kregen een ontzegging van één jaar, de directeur van anderhalf jaar. De CPZ lijkt geen rekening te hebben gehouden met de bisschoppelijke goedkeuring, want de straffen waren niet veel anders dan in andere gevallen. In vergelijking met die voor het Leidsch Dagblad zelfs aan de hoge kant. Cruciaal was de aanvangsdatum van de ontzegging: 5 mei 1945. Dat betekende dat er nog maar krap twee maanden resteerden voordat vrijwel allen weer aan de slag konden. Alleen Van Hamersveld zou nog een half jaartje moeten wachten. Door de interventies van de bisschop en de uitspraak van de CPZ was het lot van De Burcht bezegeld.

De Burcht en De Leidsche Courant fuseren
Vandaar dat wederom toenadering werd gezocht tot De Leidsche Courant maar nu met een heel ander doel: behoud van de uitgangspunten van De Burcht en veiligstellen van de positie van het personeel. Vooral Van Hamersveld weigerde echter een duimbreed toe te geven. Hij werd daarbij gesteund door de commissarissen, die de oplossing van het probleem in zicht zagen komen zonder concessies te hoeven doen.
Op 25 en 29 maart en op 13 april 1946 vond er een drietal vergaderingen plaats van de commissarissen van NV De Leidsche Courant en de bestuursleden van de Stichting De Burcht onder voorzitterschap van pater Gall. Ook aanwezig was directeur Van Elburg, maar Van Hamersveld ontbrak.

Er werd overeengekomen dat er vijf personen van De Burcht commissaris bij De Leidsche Courant zouden worden. Onder hen was een nieuwe naam, namelijk Steef Menken, lid van de gemeenteraad voor de KVP. Daar stond tegenover dat De Burcht zich niet zou verzetten tegen het aanblijven van de overige commissarissen. Verder werd besloten de exploitatie van beide kranten met ingang van 1 april voor rekening te laten komen van de NV De Leidsche Courant. Van Elburg zou directeur blijven tot november 1946. De krant zou met ingang van 6 mei 1946 onder hoofdredacteurschap komen van rector Sondaal en Wilmer, die daarmee dus zijn comeback maakte. Tevens werd vastgelegd, dat Schermer Voest en Siebelt voor tenminste één jaar zouden worden overgenomen door De Leidsche Courant.

Om de fusie ook technisch en financieel te kunnen laten verlopen werden er twee commissies gevormd onder voorzitterschap van pater Gall. Er moest een analyse worden gemaakt van de ‘technische en sociale verhoudingen’ bij De Leidsche Courant over de laatste 10 jaar. Ook de financiën zouden worden doorgelicht. Dit laatste rapport mocht niet worden gepubliceerd. Men zou uitzoeken of er in het afgelopen jaar te hoge drukkosten in rekening waren gebracht. Dit zou dan worden verrekend met de nog openstaande vorderingen. Uiteindelijk werd er fl. 3000 afgerekend.

De benoeming van commissarissen zou plaats moeten vinden in een vergadering, die gepland stond voor 1 juni. De nieuwe commissarissen zouden aandeelhouder kunnen worden en een aandeel van f. 25 kunnen kopen. Dit leverde echter problemen op wegens de stringente regelgeving op dit gebied.

De Leidsche Courant herrijst
Op maandag 6 mei 1946 verscheen het eerste naoorlogs nummer van De Leidsche Courant met als ondertitel ‘waarin opgenomen “De Burcht” ‘. Na een jaar actief en passief verzet kreeg de NV de Leidsche Courant op een presenteerblaadje een redelijk goed lopende krant aangeboden met ruim 12.000 abonnees. De prijs voor deze overname, fl. 3000 (feitelijk een terugbetaling van te hoog gefactureerde kosten), een paar aandelen en de tijdelijke overname van twee werknemers, stelde niets voor. Bovendien omvatte de deal ook nog de verkoop van het kerkblad Sursum Corda, dat door de Stichting vanaf 17 november 1945 werd uitgegeven en bij De Leidsche Courant werd gedrukt.
Na het ogenschijnlijk constructief verlopen overleg bleven de commissarissen van De Leidsche Courant passief verzet voeren. De aankoop van aandelen werd zo veel mogelijk vertraagd. Als excuus werd aangevoerd dat het effectenverkeer nog niet vrij was.
Rector Sondaal vertrok als hoofdredacteur met ingang van 1 december 1946 vanwege een benoeming elders. De aangekondigde jaarvergadering die op 1 juni 1946 plaats zou vinden werd uiteindelijk pas 9 mei 1947 gehouden. Tegen alle afspraken in werden er maar twee mensen van De Burcht tot commissaris benoemd. Het Stichtingsbestuur van De Burcht stuurde op 12 mei een brandbrief naar de bisschop om hem op deze gang van zaken te wijzen met het verzoek invloed aan te wenden om die resterende twee commissarissen benoemd te krijgen.
Fien Schermer Voest vertrok in augustus 1946 en redacteur Joop Siebelt in februari 1947. Er restte niets anders dan de Stichting De Burcht te liquideren. Nadat de bedrijfsactiviteiten in 1947 waren gestaakt bleef er een lege stichting over. Op 20 februari 1949 werden de uiteindelijke financiële stukken opgesteld. Van de katholieke Burcht restte alleen nog wat papier. De ondertitel bleef opgenomen in De Leidsche Courant tot en met het nummer van 6 december 1950. De volgende dag was elke herinnering aan de De Burcht in De Leidsche Courant voorgoed verdwenen.

Dit artikel is een enigszins aangepaste en verbeterde versie van het artikel van Alphons Siebelt in het Leids Jaarboekje van 2011. Zie literatuurlijst 2011B.